Gemeente:
Goes
Plannaam:
Goese Meer
Status:
Ontwerp
Status Datum:
26-07-2012

Regels

 

Behorende bij het bestemmingsplan 'Goese Meer'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vastgesteld door de raad van de gemeente Goes bij besluit van …

 

 

, voorzitter

 

 

, griffier

 

 

Titel Bestemmingsplan

“Goese Meer”

Gemeente

Goes

Status

Ontwerp

Datum

januari 2013

Planidn

NL.IMRO.0664.BPGN03-ON99

 

HOOFDSTUK 1 Inleidende regels

 

Artikel 1 Begrippen

 

In deze regels wordt verstaan onder:

 

  1. Het plan: het Bestemmingsplan Goese Meer van de gemeente Goes;

  2. Bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0664.BPGN03-ON99 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen;

  3. Aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

  4. Aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

 

  1. Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde prostitutie, die in hoofdzaak niet-publieksaantrekkend is en die door een bewoner op kleine schaal in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie, bed & breakfast daaronder begrepen, met inachtneming van de volgende regels:

      1. de woning blijft voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit;

      2. ten hoogste 40 m² van de netto vloeroppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken gezamenlijk mag ten behoeve van beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in gebruik zijn;

      3. het gebruik heeft een kleinschalig karakter en zal dit behouden;

      4. het gebruik is naar aard in overeenstemming met het woonkarakter van de omgeving;

      5. het gebruik ondersteunt de woonfunctie, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten uitvoert tevens gebruiker en bewoner van de woning is;

      6. het gebruik leidt niet tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;

      7. de uitoefening van detailhandel, anders dan als ondergeschikte nevenactiviteit in verband met het desbetreffende beroep of bedrijf is niet toegestaan;

      8. reclame-uitingen aan de gevel mogen niet zichtbaar zijn;

      9. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken mogen niet onevenredig worden aangetast;

  2. Achtergevel: de naar het bijbehorende erf gekeerde meest achterwaarts gelegen gevel van een gebouw, een aan- of uitbouw inbegrepen;

  3. Ander bouwwerk: een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

  4. Antennemast: een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbijbehorende bevestigingsconstructie;

  5. Architectonische waarde: de aan een gebouw toegekende waarde gekenmerkt door de opbouw en/of indeling van de buitengevel, de dakopbouw en het materiaal en/of kleurgebruik, eventueel in samenhang met de omgeving;

  6. Bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

 

  1. Bedrijfsmatige exploitatie: het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van de exploitatie en het beheer van een complex voor verblijfsrecreatie, gericht op het als onderneming aan meerdere, steeds wisselende, personen per jaar aanbieden van recreatief verblijf;

  2. Bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen: afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet;

  3. Bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak;

  4. Bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

 

  1. Bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw of ander bouwwerk, met een dak;

 

  1. Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

  2. Bouwgrens: de grens van een bouwvlak;

  3. Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

  4. Bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel;

  5. Bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

  6. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

  7. Cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied;

  8. Deskundige: een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening;

 

  1. Detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

 

  1. Dienstwoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein;

 

  1. Erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

  2. Erker: een uitgebouwd venster;

  3. Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

  4. Hoofdgebouw: gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

  5. Horecabedrijf: een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten:

    1. het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken;

    2. het exploiteren van zaalaccommodatie;

    3. het verstrekken van nachtverblijf;

 

  1. Landschappelijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur;

 

  1. Natuurwetenschappelijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang;

 

  1. NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van hert plan;

 

  1. Nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, duikers, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, etc.;

 

  1. Overkapping: een bouwwerk geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak;

 

  1. Passend in het straat- en bebouwingsbeeld:
    a. een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;
    b. een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling;
    c. een samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is;
    d. de cultuurhistorische samenhang in de omgeving;

  2. Peil:

    1. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk grenst aan een weg: de hoogte van die weg (ter plaatse van de hoofdtoegang);

    2. bij ligging in het water: de gemiddelde hoogte van de aangrenzende oevers;

    3. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.

 

  1. Staat van Horeca-activiteiten: de Staat van Horeca-activiteiten die deel uitmaakt van deze regels;

  2. Stedenbouwkundige: een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen inzake stedenbouw;

  3. Voorgevelrooilijn: denkbeeldige dan wel op de verbeelding aangegeven lijn die strak loopt langs de voorgevel van een hoofdgebouw tot aan de perceelsgrenzen;

  4. Voorgevel van een hoofdgebouw: het naar de wegzijde gekeerde deel van een hoofdgebouw; indien meerdere delen van het hoofdgebouw naar de weg gekeerd zijn, is de op de verbeelding aangegeven voorgevelrooilijn bepalend;

  5. Wonen: het huisvesten van personen;

  6. Woning: een gebouw dat dient voor de huisvesting van personen.

Artikel 2 Wijze van meten

 

Bij het toepassen van deze regels gelden de volgende aanwijzingen:

 

1. Afstanden: afstanden van bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot de perceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn;

2. Bebouwd oppervlak: het bebouwd oppervlak van een bouwperceel of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen bij elkaar op te tellen, tenzij in de regels anders is bepaald;

3. Bebouwingspercentage: het bebouwingspercentage wordt per bouwperceel berekend van het totale bouwperceel waar het percentage is ingeschreven;

4. Bouwhoogte van een bouwwerk: de hoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

5. Breedte en diepte van een gebouw of ander bouwwerk: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels van het hart van de scheidsmuren;

6. Dakhelling: de dakhelling van een bouwwerk wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

7. Goothoogte van een bouwwerk: de goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

9. Inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

10. Oppervlakte van een bouwwerk: de oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

11. Verschillende goothoogte van een bouwwerk: indien een gebouw met betrekking tot de constructiedelen als bedoeld onder 2.7 over verschillende hoogten beschikt, wordt als volgt gemeten:

a. indien zich aan de voorgevelzijde een goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de hoogte aan de voorgevelzijde;

b. indien zich – in geval van een lessenaarsdak – aan de voorgevelzijde van het gebouw geen goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de laagste hoogte;

 

12. Vloeroppervlakte: de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN2580.

HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels

 

Artikel 3 Groen

 

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Groen (G) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. plantsoenen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, bermstroken, bermsloten;

  2. waterpartijen, watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;

(voet- en fiets)paden, bruggen, straatmeubilair, voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, geluidwerende voorzieningen;

  1. ter plaatse van de functieaanduiding "ontsluiting" (os): tevens voor een auto-ontsluiting ten behoeve van direct aanliggende bouwpercelen, met dien verstande dat per bouwperceel ten hoogste één auto-ontsluiting is toegestaan.

 

3.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  1. niet voor bewoning bestemde gebouwen;

  2. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

3.2.1 Maatvoering

 

 

Bouwwerk

Maximale bouwhoogte

Maximale oppervlakte per gebouw

a.

Niet voor bewoning bestemde gebouwen

3.50 meter

15 m²

b.

Speeltoestellen

4.00 meter

 

-

c.

Openbare nutsvoorzieningen

3.50 meter

-

d.

Lichtmasten en overige masten

8.00 meter

-

e.

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

2.00 meter

15 m²

 

3.3 Nadere eisen

 

3.3.1 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een omgevingsvergunnning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  1. de plaatsing van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar;

  2. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen;

  3. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

3.3.2 Voorwaarden

 

De in lid 3.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten.

 

 

3.4 Afwijken bouwregels

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in:

  1. lid 3.4.1 sub a en b tot het vergroten van de bouwhoogte met ten hoogste 1.00 meter.

 

3.5 Afwijken gebruiksregels

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in:

  1. paragraaf 3.1 voor het realiseren van jongerenontmoetingsplaatsen.

 

 
Artikel 4 Sport

 

 

Artikel 4 Sport

 

 

4.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Sport (S) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. het uitoefenen van activiteiten met de golfsport als hoofdfunctie;

alsmede voor:

  1. speelvoorzieningen;

  2. tuinen, terreinen, paden, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming;

  3. ter plaatse van de functieaanduiding "golfbaan" (go) een golfbaan;

  4. ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van sport- clubhuis" (ss- ch) een sociëteit, horeca tot en met categorie 1b van de Staat van horeca-activiteiten alsmede ondergeschikte detailhandel ten behoeve van de golfsport en parkeervoorzieningen;

  5. ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van horeca- hotel" (sh- hot) een hotelvoorziening alsmede parkeervoorzieningen ten behoeve van de golfsport;

  6. ter plaatse van de aanduiding "dienstwoning" (sw- dw) een dienstwoning ten behoeve van de golfvereniging een dienstwoning;

  7. ter plaatse van de functieaanduiding "opslag" (op) een voorziening voor opslag, stalling en onderhoud van machines en gereedschappen ten behoeve van de golfbaan met een maximale oppervlakte van 200m2.

 

4.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de

volgende bouwwerken worden gebouwd:

  1. gebouwen;

  2. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

4.2.1 Algemeen

 

Voor het bouwen van gebouwen geldt de volgende bepaling:

  1. gebouwen dienen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven aanduidingsvlakken "specifieke vorm van sport- clubhuis" (ss- ch), "specifieke vorm van horeca- hotel" (sh-hot), "specifieke vorm van wonen- dienstwoning" (sw- dw) en "opslag" (op) te worden gerealiseerd;

 

4.2.2 Dienstwoningen en bijbehorende bouwwerken

 

Voor het bouwen van maximaal twee dienstwoningen geldt de volgende bepaling:

  1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen- dienstwoning" (sw- dw) mag ten behoeve van de golfvereniging een dienstwoning worden opgericht.

 

4.2.3 Maatvoering hoofdgebouwen

 

 

Aanduiding

Maximale goothoogte

Maximale bouwhoogte

 

a.

"ss-ch"

10.00 meter

 

10.00 meter

b.

"sw-dw"

9.00 meter

 

9.00 meter

c.

"op"

10.00 meter

 

10.00 meter

d.

"sh- hot"

15.00 meter

 

15.00 meter

 

4.2.4 Maatvoering bouwwerken geen gebouwen zijnde

 

 

Bouwwerk

Maximale hoogte

 

a.

Bouwwerk geen gebouw zijnde

3.00 meter

 

b.

(Antenne) masten en verlichtingsarmaturen

8.00 meter

 

 

4.3 Nadere eisen

 

4.3.1 Nadere eisen

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  1. De plaatsing van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar.

  2. De dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen.

  3. De plaatsing en vormgeving van bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

4.3.2 Voorwaarden

 

De in lid 4.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten.

 

4.4 Specifieke gebruiksregels

 

Ter plaatse van de aanduiding "bedrijf aan huis" (bah) is het toegestaan aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten uit te oefenen in een woning en/of bij de woning bijbehorende bouwwerken met een maximale oppervlakte van 175m2, met dien verstande dat bedoeld gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt.

 

Artikel 5 Tuin

 

 

5.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Tuin (T) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;

  2. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.

 

5.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  1. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

5.2.1 Maatvoering

 

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

 

 

Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Maximale bouwhoogte

Maximale oppervlakte

a.

Bouwwerken geen gebouwen zijnde

3.00 meter

4m2

b.

Palen en masten

 

8.00 meter

-

c.

Erfafscheidingen

 

1.00 meter

-

 

 

5.3 Specifieke gebruiksregels

 

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

  1. het gebruik van gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen en kampeermiddelen;

  2. het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen;

  3. het gebruik van gronden voor reclamedoeleinden.

 

Artikel 6 Verkeer

 

 

6.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Verkeer (V) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie;

alsmede voor:

  1. verkeersvoorzieningen, groen, waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, sport-, en speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen en straatmeubilair.

 

6.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  1. niet voor bewoning bestemde gebouwen;

  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

6.3 Maatvoering

 

 

Bouwwerk

Maximale goothoogte

Maximale bouwhoogte

Maximale oppervlakte per gebouw

a.

Niet voor bewoning bestemde gebouwen

2.00 meter

2.00 meter

Nutsgebouwen:15 m2

 

b.

Lichtmasten en overige masten

-

8.00 meter

-

c.

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

-

2.00 meter

-

 

6.4 Nadere eisen

 

6.4.1 Nadere eisen

 

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten behoeve van:

  1. de verkeersveiligheid;

  2. plaats en afmeting van bebouwing.

 

6.4.2 Voorwaarden

 

De in lid 6.4.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten.

 

Artikel 7 Water

 

 

7.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Water (WA) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. de wateraanvoer en -afvoer, waterberging, waterhuishouding, paden, waterpartijen, vijvers, en (primaire) waterlopen, zoals sloten, watergangen, singels, vaarwegen, bruggen, dammen, groenvoorzieningen en andere tot de bestemming behorende watervoorzieningen ten dienste van de waterkering zoals waterinfiltratie en -transportvoorzieningen, nutsvoorzieningen en onderhoud;

  2. bij deze doeleinden behorende voorzieningen, zoals bermen, bermsloten en beplantingen;

  3. ter plaatse van de functieaanduiding "aanlegsteigers" (as) zijn de gronden mede bestemd voor voorzieningen ten dienste van aanlegsteigers.

 

7.2 Bouwregels

 

Op deze gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  1. niet voor bewoning bestemde gebouwen;

  2. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

7.2.1 Algemeen

 

Ter plaatse van de functieaanduiding "aanlegsteigers" (as) is de beleidsregel "Aanlegsteigers Het Goese Meer 2007" van toepassing. Voor het aanleggen van steigers gelden zodoende de volgende bepalingen:

  1. aanlegsteigers dienen uitsluitend binnen de functieaanduiding "aanlegsteigers" (as) te worden gebouwd binnen het in eigendom zijnde waterperceel en wel zodanig dat af te meren schepen geheel binnen het perceel ligplaats kunnen nemen;

  2. ter plaatse van de uitstroomconstructies zijn over een breedte van 4.00 meter (aan beide zijden 2.00 meter uit het hart van de opening) geen steigers toegestaan;

  3. de voorzijde van de aanlegsteiger dient te worden voorzien van een doorlopende wrijfgording;

  4. voor het afmeren en vastleggen mogen maximaal twee palen worden geplaatst in relatie met de aanlegsteiger, in gelijke maat, afwerking en houtsoort als de palen van de aanlegsteiger.

 

7.2.2 Afmetingen

 

Voor de aan te leggen aanlegsteigers gelden de volgende afmetingen en bepalingen:

  1. de aanlegsteigerdekhoogte dient 1.90 meter + NAP te bedragen;

  2. de paalhoogte van de voorzijde van de aanlegsteiger dient 2.70 meter + NAP te bedragen of gelijk te zijn aan het steigerdek;

  3. aanlegsteigerdekbreedte dient minimaal 0.50 meter en maximaal 1.50 meter te bedragen;

  4. aanlegsteigers haaks op de oeverlijn (bijvoorbeeld zwemsteigers) zijn toegestaan tot maximaal 5.00 meter en 7.00 meter uit de betuining, afhankelijk van de eigendomsgrens;

  5. aanlegsteigers evenwijdig aan de oeverlijn zijn toegestaan tot een maximum lengte van 10.00 meter.

 

7.2.3 Maatvoering

 

 

Bouwwerk

Maximale bouwhoogte

Maximale oppervlakte per gebouw

a.

Nutsvoorzieningen

3.50 meter

 

15 m2

b.

Bouwwerk geen gebouwen zijnde

3.50 meter

-

c.

Speelvoorzieningen

 

3.50 meter

-

d.

Lichtmasten en overige masten

8.00 meter boven NAP

-

e.

Bewegwijzering

4.50 meter boven NAP

-

f.

Overige bouwwerken

2.00 meter boven NAP

-

 

 

7.3 Afwijking van de bouwregels

 

7.3.1 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

 

  1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in 7.2.3 sub c en toestaan dat een grotere hoogte wordt toegestaan, mits de hoogte ten hoogste 10.00 meter boven NAP bedraagt.

 

7.4 Specifieke gebruiksregels

 

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.1 wordt in ieder geval gerekend:

  1. het water te gebruiken als ligplaats voor woonboten;

  2. met uitzondering van een vaste aanlegsteiger is het niet toegestaan andere constructies, obstakels of drijvende objecten (alsook drijvende steigers) in het water te plaatsen.

Artikel 8 Wonen

 

 

8.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Wonen (W) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het wonen;

b. parkeervoorzieningen, tuinen, erven, paden, nutsvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en andere voorzieningen ten behoeve van het wonen;

c. aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven alsmede logies en ontbijt.

 

8.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

a. hoofdgebouwen;

b. bijbehorende bouwwerken;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

d. ondergrondse parkeervoorzieningen.

 

8.2.1 Algemeen

 

  1. De hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde;

  2. ter plaatse van de gronden buiten het bouwvlak zonder aanduiding mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen en bouwwerken geen overkappingen zijnde worden gebouwd;

  3. ter plaatse van de aanduiding "erf" (e) mogen uitsluitend bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd;

  4. ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand" (vrij) geldt dat indien de oppervlakte van het bouwperceel kleiner is dan 600 m2, de bebouwde oppervlakte ten hoogste 200m2 mag bedragen;

  5. indien de oppervlakte van het bouwperceel ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand" (vrij) groter is dan 600m2, bedraagt de bebouwde oppervlakte ten hoogste 33% van het bouwperceel;

  6. ter plaatse van de aanduiding "aaneengebouwd" (aeg) geldt dat 50% van het bouwperceel mag worden bebouwd.

 

8.2.2 Hoofdgebouwen

 

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  1. ter plaatse van de functieaanduiding "vrijstaand" (vrij) zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;

  2. ter plaatse van de functieaanduiding "aaneengebouwd" (aeg) zijn uitsluitend aaneen gebouwde woningen toegestaan;

  3. voor de breedte van de hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen;

 

Aanduiding

Minimale breedte woning

vrij

8.00 meter

aeg

5.00 meter

 

  1. voor de afstand tussen een hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens gelden de volgende bepalingen:

 

Aanduiding

Minimale afstand tot zijdelingse perceelsgrens

vrij

5.00 meter

aeg

niet van toepassing

 

  1. bij toepassing van hellende dakvlakken, bedraagt de dakhelling ten minste 30° en maximaal 55°.

 

8.2.3 Bijbehorende bouwwerken

 

  1. De afstand tussen bijbehorende bouwwerken en de zijdelingse perceelsgrens zal ten minste bedragen:

 

Nadere aanduiding

Minimale afstand tot zijdelingse perceelsgrens

vrij

2.00 meter

aeg

niet van toepassing

 

8.2.4 Maatvoering hoofdgebouwen

 

  1. De goothoogte en bouwhoogte van een hoofdgebouw bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten:

 

Nadere aanduiding

Maximale goothoogte

Maximale bouwhoogte

vrij

zie op de verbeelding aangegeven hoogte

zie op de verbeelding aangegeven hoogte

aeg

zie op de verbeelding aangegeven hoogte

zie op de verbeelding aangegeven hoogte

 

8.2.5 Maatvoering bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde

 

 

Bouwwerk

Maximale goothoogte

Maximale bouwhoogte

a.

Bijbehorende bouwwerken

3.20 meter

5.00 meter

b.

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

-

- 2.50 meter
- voor de voorgevelrooilijn: 1.00 meter

c.

Erfafscheidingen

 

2.00 meter

 

8.2.6 Ondergrondse parkeervoorzieningen

 

De verticale bouwdiepte voor een ondergrondse parkeervoorziening, bedraagt ten hoogste de volgende aangegeven maat:

 

Nadere aanduiding

Maximale verticale bouwdiepte

vrij

8.00 meter onder NAP

 

 

8.3 Nadere eisen

 

8.3.1 Nadere eisen

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  1. De plaatsing van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar.

  2. De dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen.

  3. De plaatsing en vormgeving van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

 

8.3.2 Voorwaarden

  1. De in lid 8.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten;

 

 

Artikel 9 Waarde- Archeologie 2

 

 

9.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor “Waarde – Archeologie 2” (WR- A2) aangewezen gronden zijn primair bestemd voor het behoud van het ter plaatse aanwezige archeologisch waardevol gebied en van de ter plaatse aanwezige vindplaatsen, niet zijnde beschermd van rijkswege.

 

9.2 Bouwregels

 

  1. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 9.1. genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 meter;

  2. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels- uitsluitend worden gebouwd, indien:

  1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is;

  2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;

  3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige;

  1. het bepaalde in lid 9.2 sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

  1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

  2. een bouwwerk waarvan de oppervlakte van de verstoring ten hoogste 250 m² bedraagt in gebieden met de bestemming “Waarde – Archeologie 2";

  3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 40 cm wordt geplaatst.

 

9.3 Specifieke gebruiksregels

 

9.3.1 Verhouding tot andere dubbelbestemmingen

 

Voor zover de in lid 9.1 bedoelde dubbelbestemming samenvalt met een of meer andere

dubbelbestemmingen, worden – ook ten opzichte van de in lid 9.1 bedoelde dubbelbestemming–

de regels in acht genomen die bij deze andere dubbelbestemming(en) behoren.

 

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

 

9.4.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden zonder vergunning

 

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming “Waarde – Archeologie 2” zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor met toepassing van lid 9.2. sub b of c een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;

  2. het verlagen of verhogen van het waterpeil;

  3. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;

  4. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

 

9.4.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

 

Het verbod van lid 9.4.1 geldt niet voor het uitvoeren van:

 

  1. werken en/of werkzaamheden die normaal beheer of onderhoud betreffen;

  2. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn;

  3. werken of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende bouwvergunning, een omgevingsvergunning voor het bouwen of een ontgrondingsvergunning;

  4. werken of werkzaamheden waarbij geen grondbewerkingen plaatsvinden dieper dan 40 cm beneden het maaiveld;

  5. werken of werkzaamheden:

    1. waarvan de oppervlakte van de verstoring ten hoogste 250m² bedraagt in gebieden met de bestemming “Waarde – Archeologie 2”.

  6. archeologisch onderzoek.

 

9.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

 

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 9.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts wordt een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden in ieder geval verleend indien:

    1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden aan de hand van archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

    2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het betrokken terrein in voldoende mate worden veiliggesteld;

    3. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden regels te verbinden, gericht op:

      1. het treffen van maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

      2. het doen van opgravingen;

      3. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.

    4. alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige;

 

9.5 Wijzigingsbevoegdheid

 

9.5.1 Wijzigen bestemming

 

Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 Wro de bestemming van archeologisch waardevolle gebieden, met inachtneming van de volgende regels, wijzigen voor:

  1. het toekennen van de aanduiding “Rijksmonument” aan gronden die ingevolge artikel 3 van de Monumentenwet 1988 zijn of worden beschermd;

  2. het toekennen van een hogere waarde aan gronden met de bestemmingWaarde – Archeologie – 2” indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat deze gronden van een hogere archeologische waarde zijn.

 

9.5.2 Geheel of gedeeltelijk verwijderen archeologische bestemming

 

Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsvlak verwijderen, met inachtneming

van de volgende regels:

  1. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;

  2. op grond van archeologisch onderzoek wordt het niet meer noodzakelijk geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet;

  3. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

 

9.5.3 Wijzigen vorm bestemmingsvlak

 

Burgemeester en wethouders kunnen de vorm van het bestemmingsvlak veranderen, met inachtneming van de volgende regels:

  1. wijziging is op grond van archeologisch onderzoek noodzakelijk of gewenst met het oog op de bescherming of de veiligstelling van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden;

  2. zonder verandering van de vorm van het bestemmingsvlak kan de bebouwing ten behoeve van de voor de gronden geldende andere bestemming niet of niet doelmatig worden gerealiseerd;

  3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;

  4. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

 

9.5.4 Procedureregel

 

Bij het toepassen van de bevoegdheid als bedoeld in lid 9.5.1, 9.5.2 en 9.5.3 zijn de algemene procedureregels van artikel 18 van toepassing.

 

Artikel 10 Waarde- Archeologie 3

 

 

10.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor “Waarde – Archeologie 3” (WR- A3) aangewezen gronden zijn primair bestemd voor het behoud van het ter plaatse aanwezige archeologisch waardevol gebied en van de ter plaatse aanwezige vindplaatsen, niet zijnde beschermd van rijkswege.

 

10.2 Bouwregels

 

  1. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 10.1. genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 meter;

  2. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels- uitsluitend worden gebouwd, indien:

  1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is;

  2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;

  3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige;

  1. het bepaalde in lid 10.2 sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

  1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

  2. een bouwwerk waarvan de oppervlakte van de verstoring ten hoogste 500 m² bedraagt in gebieden met de bestemming “Waarde – Archeologie 3;

  3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 40 cm wordt geplaatst.

 

10.3 Specifieke gebruiksregels

 

10.3.1 Verhouding tot andere dubbelbestemmingen

 

Voor zover de in lid 10.1 bedoelde dubbelbestemming samenvalt met een of meer andere

dubbelbestemmingen, worden – ook ten opzichte van de in lid 10.1 bedoelde dubbelbestemming–

de regels in acht genomen die bij deze andere dubbelbestemming(en) behoren.

 

10.4 Omgevingsvergunnin voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

 

10.4.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden zonder vergunning

 

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming “Waarde – Archeologie 3” zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor met toepassing van lid 10.2. sub b of c een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;

  2. het verlagen of verhogen van het waterpeil;

  3. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;

  4. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

 

10.4.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

 

Het verbod van lid 10.4.1 geldt niet voor het uitvoeren van:

 

  1. werken en/of werkzaamheden die normaal beheer of onderhoud betreffen;

  2. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn;

  3. werken of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende bouwvergunning, een omgevingsvergunning voor het bouwen of een ontgrondingsvergunning;

  4. werken of werkzaamheden waarbij geen grondbewerkingen plaatsvinden dieper dan 40 cm beneden het maaiveld;

  5. werken of werkzaamheden:

    1. waarvan de oppervlakte van de verstoring ten hoogste 500m² bedraagt in gebieden met de bestemming “Waarde – Archeologie 3”.

  6. archeologisch onderzoek.

 

10.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

 

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 10.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts wordt een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden in ieder geval verleend indien:

    1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden aan de hand van archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

    2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het betrokken terrein in voldoende mate worden veiliggesteld;

    3. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden regels te verbinden, gericht op:

      1. het treffen van maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

      2. het doen van opgravingen;

      3. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.

    4. alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige;

 

10.5 Wijzigingsbevoegdheid

 

10.5.1 Wijzigen bestemming

 

Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 Wro de bestemming van archeologisch waardevolle gebieden, met inachtneming van de volgende regels, wijzigen voor:

  1. het toekennen van de aanduiding “Rijksmonument” aan gronden die ingevolge artikel 3 van de Monumentenwet 1988 zijn of worden beschermd;

  2. het toekennen van een hogere waarde aan gronden met de bestemmingWaarde – Archeologie – 3” indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat deze gronden van een hogere archeologische waarde zijn.

 

10.5.2 Geheel of gedeeltelijk verwijderen archeologische bestemming

 

Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsvlak verwijderen, met inachtneming

van de volgende regels:

  1. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;

  2. op grond van archeologisch onderzoek wordt het niet meer noodzakelijk geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet;

  3. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

 

10.5.3 Wijzigen vorm bestemmingsvlak

 

Burgemeester en wethouders kunnen de vorm van het bestemmingsvlak veranderen, met inachtneming van de volgende regels:

  1. wijziging is op grond van archeologisch onderzoek noodzakelijk of gewenst met het oog op de bescherming of de veiligstelling van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden;

  2. zonder verandering van de vorm van het bestemmingsvlak kan de bebouwing ten behoeve van de voor de gronden geldende andere bestemming niet of niet doelmatig worden gerealiseerd;

  3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;

  4. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

 

10.5.4 Procedureregel

 

Bij het toepassen van de bevoegdheid als bedoeld in lid 10.5.1, 10.5.2 en 10.5.3 zijn de algemene procedureregels van artikel 18 van toepassing.

 

Artikel 11 Waarde - Natuur en landschap

 

 

11.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Waarde- Natuur en landschap (WR- NL) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. behoud en de versterking van de cultuurhistorische, landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden;

  2. verkeersdoeleinden;

 

11.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  1. uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

11.2.1 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

  1. De hoogte van andere bouwwerken bedraagt ten hoogste 2.00 meter;

  2. bouwwerken ten behoeve van de andere voor de gronden geldende bestemmingen zijn op deze gronden slechts toelaatbaar, indien burgemeester en wethouders toepassing hebben gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid in 11.3.1. Er wordt slechts afgeweken, indien de Waarde- Natuur en landschap door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

 

11.3 Afwijking van de bouwregels

 

11.3.1 Afwijking

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 11.2.1 indien en voor zover:

  1. op de betrokken bouwlocatie de Waarde- Natuur en landschap blijkens rapportage van een deskundige in voldoende mate verzekerd blijft;

  2. voor vervanging van reeds aanwezige bouwwerken, indien de oppervlakte van het bouwwerk niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering in omvang en diepte niet wordt aangepast;

  3. voor nieuwe bouwwerken die niet dieper zijn gefundeerd dan 30 cm beneden het maaiveld en waarbij geen paalfunderingen worden aangebracht.

 

11.4 Specifieke gebruiksregels

 

11.4.1 Verhouding tot andere dubbelbestemmingen

 

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. Voor zover op de kaart dubbelbestemmingen samenvallen, geldt de volgende volgorde:

- primair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming Waterstaat- Waterstaatkundige functie;

- secundair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming Waarde- Natuur en landschap.

 

 

11.4.2 Verbodsbepaling

 

Het is verboden de gronden te gebruiken in strijd met de bestemming, waartoe in ieder

geval wordt gerekend:

- het omzetten van grasland in bouwland.

 

 

11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

 

11.5.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

 

Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming Waarde- Natuur en landschap als

bedoeld in lid 11.1 zonder of anders dan in een schriftelijke vergunning van burgemeester

en wethouders is opgenomen ( omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginningen, en aanleggen, vergraven of verruimen van sloten, vijvers en andere wateren;

  2. het planten van bomen;

  3. het rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;

  4. het verlagen van het waterpeil;

  5. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

  6. het uitvoeren van alle overige werkzaamheden die de waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet kunnen worden gerekend tot het normale gebruik of onderhoud van het terrein.

 

11.5.2 Uitzonderingsbepaling

 

Het verbod zoals in lid 11.5.1 bedoeld is niet van toepassing op:

  1. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

  2. werken of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden;

  3. het verrichten van onderzoek door een deskundige;

  4. het verrichten van reguliere onderhoudswerkzaamheden;

  5. indien op de betrokken locatie de aanwezige waarde van het terrein in voldoende mate verzekerd blijft.

 

11.5.3 Voorwaarden

 

De werken of werkzaamheden, zoals in lid 11.5.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar indien daardoor de waarden van de beschermde dijk niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

 

 

Artikel 12 Waterstaat - Waterstaatkundige functie

 

 

12.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Waterstaat- Waterstaatkundige (WS- WS) functie aangewezen gronden zijn, naast de daarvoor aangewezen andere bestemming(en), primair bestemd voor:

  1. waterkering, waterbeheersing, kaden, dijksloten, sloten, watergangen en singels;

  2. opslag en onderhoud ten behoeve van vaar- en waterwegen, wegen, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen;

alsmede voor:

  1. havens en sluizen ten dienste van de scheepvaart, de waterstaat en de landbouw;

  2. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. Voor zover op de kaart dubbelbestemmingen samenvallen, geldt de volgende volgorde:

- primair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming Waterstaat- waterstaatkundige functie;

- secundair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming Waarde- Natuur en landschap.

 

12.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  1. gebouwen;

  2. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

12.2.1 Gebouwen in de kernzone

 

Voor het bouwen van gebouwen in de kernzone gelden de volgende bepalingen:

  1. gebouwen mogen op deze gronden, met inachtneming van de op de kaart aangegeven nadere aanwijzingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 12.1 genoemde doeleinden worden gebouwd;

  2. de hoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 6.00 meter.

 

12.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde in de kernzone

 

Voor het bouwen van andere bouwwerken in de kernzone gelden de volgende bepalingen:

  1. bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen op deze gronden uitsluitend ten dienste van de in lid 12.1 genoemde doeleinden worden gebouwd;

  2. de hoogte van andere bouwwerken bedraagt ten hoogste 2.00 meter.

 

12.2.3 Gebouwen in de beschermingszone

 

Voor het bouwen van gebouwen in de beschermingszone gelden de volgende bepalingen:

  1. de hoogte van gebouwen, die ten dienste van de in lid 12.1 genoemde doeleinden worden gebouwd, bedraagt ten hoogste 6.00 meter;

  2. de afstand van gebouwen, die ten dienste van de in lid 12.1 genoemde doeleinden worden gebouwd, tot de bestemmingsgrens dient ten minste 5.00 meter te bedragen;

  3. er mogen gebouwen ten behoeve van de andere voor de gronden geldende bestemmingen worden gebouwd.

 

12.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde in de beschermingszone

 

Voor het bouwen van andere bouwwerken in de beschermingszone gelden de volgende

bepalingen:

  1. de hoogte van andere bouwwerken, die ten dienste van de in lid 12.1 genoemde doeleinden worden gebouwd, bedraagt ten hoogste 2.00 meter;

  2. er mogen andere bouwwerken ten behoeve van de andere voor de gronden geldende bestemmingen worden gebouwd.

 

12.3 Afwijking van de bouwregels

 

12.3.1 Algemeen

 

Bij wijzigingen aan de waterkering dient het Waterschap om advies te worden gevraagd.

 

12.3.2 Afwijking van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in:

  1. lid 12.2.1 sub a en lid 12.2.2 sub a voor het bouwen van gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de voor deze gronden geldende andere bestemming(en), mits de waterstaatkundige belangen van de gronden hierdoor niet onevenredig worden geschaad;

  2. lid 12.2.2 sub b en lid 12.2.4 sub a tot een hoogte van maximaal 10.00 meter.

 

12.4 Specifieke gebruiksregels

 

12.4.1 Verhouding tot andere dubbelbestemmingen

 

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. Voor zover op de kaart dubbelbestemmingen samenvallen, geldt de volgende volgorde:

- primair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming Waterstaat- Waterstaatkundige functie;

- secundair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming Waarde- Natuur en landschap.

 

12.5 Wijzigingsbevoegdheid

 

12.5.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 Wro het plan wijzigen in die zin dat: de dubbelbestemming Waterstaat- Waterstaatskundige functie komt te vervallen, mits de waterstaatskundige belangen niet onevenredig worden geschaad.

 

12.5.2 Voorwaarden

Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in lid 12.5.1 zijn de algemene procedure regels van artikel 18 van toepassing alsmede advies is gevraagd aan het Waterschap.

 

HOOFDSTUK 3 Algemene regels

 

Artikel 13 Anti-dubbeltelbepaling

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 14 Algemene bouwregels

 

 

14.1 Bestaande maten

 

  1. De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;

  2. de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden;

  3. in geval van herbouw is het bepaalde onder a en b uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.

 

 

14.2 Overschrijding bouwgrenzen

 

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van de plankaart en

hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door:

  1. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, erkers, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, alsmede andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1.50 meter bedraagt;

  2. de bouw van andere bouwwerken ten dienste van nutsvoorzieningen, mits deze voorzieningen van geringe horizontale en verticale afmetingen zijn en de bouwhoogte in ieder geval niet meer dan 10 meter bedraagt; in afwijking van het in vorige zin bepaalde bedraagt de bouwhoogte van voorzieningen voor telecommunicatie ten behoeve van privé-gebruik maximaal 15.00 meter en voor gemeenschappelijk gebruik maximaal 30 meter;

  3. voor de bouw van kleine niet voor bewoning bestemde gebouwtjes ten dienste van nutsvoorzieningen; de inhoud van deze gebouwtjes bedraagt ten hoogste 50 m³ en de bouwhoogte ten hoogste 3.00 meter.

 

 

Artikel 15 Algemene gebruiksregels

 

 

15.1 Gebruiksverbod

 

Het is verboden de in de dit plan begrepen gronden, gebouwen en bouwwerken te gebruiken, te doen of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming. Tot het verboden gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruiken, te doen of te laten gebruiken van gronden voor de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en raam- en straatprostitutie. Verder wordt onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  1. onbebouwde gronden te gebruiken of te laten gebruiken:

    • als opslagplaats voor bagger en grondinspectie;

    • als opslagplaats voor vaten, kisten, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe (bouw)materialen, afval.

    • puin, grind of brandstoffen.

Artikel 16 Algemene afwijkingsregels

 

 

16.1 Afwijkingsbevoegdheid

 

 

16.1.1 Afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van de regels in dit plan voor:

a. het oprichten van antennes en masten tot een hoogte van 12.00 meter;

b. geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein;

c. het divergeren van hoogte- en oppervlaktematen voor bebouwing tot maximaal 10% van de voorgeschreven maten.

 

16.1.2 Procedureregels

De in lid 16.1.1 genoemde afwijkingen kunnen slechts worden voltrokken, mits:

a. Dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld;

b. Geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

 

Artikel 17 Algemene wijzigingsregels

 

 

17.1 Geringe afwijkingen

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van geringe afwijkingen , die in het belang van een ruimtelijke of technisch beter verantwoorde plaatsing van gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal 5.00 meter toelaatbaar.

 

Artikel 18 Algemene procedureregels

 

 

18.1 Procedure bij toepassing wijzigingsbevoegdheid

 

Indien in de voorschriften naar deze bepaling is verwezen, is op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van een bestemmingsplan de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

 

 

 

HOOFDSTUK 4 Overgangs- en slotbepalingen

 

 

Artikel 19 Strafregel

 

Overtreding van het bepaalde in:

 

- Artikel 15

 

is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a onder 2 van de Wed (Wet op de economische delicten).

 

 

Artikel 20 Overgangsrecht

 

 

20.1 Overgangsrecht gebruik

 

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

  2. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

  3. indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

  4. het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

 

20.2 Overgangsrecht bouwwerken

 

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen , en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

  2. de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gedaan;

  3. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijking toepassen van het eerste lid voor het vergoten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

20.3 Afwijking overgangsrecht

 

Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik of bouwwerken (lid 20.1 en lid 20.2) leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijk personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht afwijking toe te passen.

 

 

Artikel 21 Slotregel

 

Deze regels worden aangehaald als: regels van het bestemmingsplan "Goese Meer"

 

HOOFDSTUK 5 Bijlagen

 

 

- Staat van Horeca activiteiten

- Beleidsregels aanlegsteigers Goese Meer