behorende bij het bestemmingsplan ‘Camping De Haas’ in de gemeente Goes

 

Hoofdstuk 1                                                     

 

Hoofdstuk 2                                                     

 

 

Hoofdstuk 3                                                     

 

 

 

 

Hoofdstuk 4                                                     

 

Inleidende regels                                             2

Artikel 1 Begrippen                                               2

Artikel 2 Wijze van meten                                     7

Bestemmingsregels                                          8

Artikel 3 Groen                                                    8

Artikel 4 Recreatie                                             10

Artikel 5 Waarde - Archeologie                             14

Algemene regels                                             18

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel                                 18

Artikel 7 Algemene gebruiksregels                          19

Artikel 8 Algemene aanduidingsregels                     20

Artikel 9 Algemene ontheffingsregels                      21

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels                      22

Artikel 11 Algemene procedureregels                      23

Overgangs- en slotregels                              24

Artikel 12 Overgangsrecht                                   24

Artikel 13 Slotregel                                             26

 

 


Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

 

1.      plan

het bestemmingsplan ‘Camping De Haas’ van de gemeente Goes;

 

2.      bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0664.OS04-VA01 met de bijbehorende regels;

 

3.      kaart

           de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0664.OS04-VA01;

 

4.      aanduiding

           een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

 

5.      aanduidingsgrens

           de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

 

6.      aan- of uitbouw

           een uit de gevel springend, in architectonisch opzicht ondergeschikt deel van een hoofdgebouw dat door de indeling en inrichting is bestemd hoofdzakelijk te worden gebruikt overeenkomstig het gebruik van het hoofdgebouw;

 

7.      afgewerkt bouwterrein

           de gemiddelde hoogte van de grond die gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde omringt;

 

8.      bebouwing

           één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

 

9.      bebouwingspercentage

           een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een vlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

 

10.             bedrijfsvloeroppervlak

de gezamenlijke vloeroppervlakte van verkoopruimten, magazijnen, bergingen, kantoren en verblijfsruimten en de overige voor de bedrijfsvoering benodigde vloeroppervlakte;

 

11.             bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein ten dienste van het op dat terrein gevestigde bedrijf;

 

12.  bestaand

           ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;

 

13.  bestemmingsgrens

           de grens van een bestemmingsvlak;

 

14.  bestemmingsvlak

           een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

 

15.  bijgebouw

           een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw en door zijn ligging, functie, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

 

16.  bouwen

           het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

 

17.  bouwgrens

           de grens van een bouwvlak;

 

18.  bouwperceel

           een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

 

19.  bouwperceelsgrens

           de grens van een bouwperceel;

 

20.  bouwvlak:

           een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

 

21.  bouwwerk

           elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

 

22.  dagrecreatie

activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting uitdrukkelijk is uitgesloten;

 

23.  detailhandel

           het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

 

24.             erker

een uitgebouwd venster;

 

25.  escortbedrijf

           de natuurlijke persoon, groep of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of van omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte (van een seksinrichting) wordt uitgeoefend;

 

26.  gebouw

           elk bouwwerk, dat voor een mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

 

27.  hoofdgebouw

           een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

 

28.  horeca

een bedrijf gericht op het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereidde en al dan niet ter plaatse te nuttigen dranken en/of etenswaren en/of het verstrekken van logies en/of het exploiteren van zaalaccommodaties;

 

29.             jaarstandplaats

een standplaats waarop een kampeermiddel gedurende het gehele jaar aanwezig mag zijn;

 

30.             kampeermiddel

tent, tentwagen, kampeerauto of caravan, dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk geen gebouw zijnde, één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

 

31.  kap

           een constructie van één of meer dakvlakken;

 

32.  maatvoeringsvlak

              een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar een bepaalde maatvoering geldt;

 

33.  molenstomp

een molen zonder molenkop;

 

34.  nutsvoorziening

           voorziening ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, duikers, gemaalgebouwtjes en telefooncellen;

 

35.  peil

§         voor gebouwen, waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

§         in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte bouwterrein;

 

36.  permanente bewoning

bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;

 

37.  prostitutie

           het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

 

38.  raamprostitutie

           een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostitué/prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen met als doel het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

 

39.  seizoenstandplaats

een standplaats waarop een kampeermiddel voor ten hoogste de periode van minimaal 3 maanden en maximaal 8 maanden van elk kalenderjaar aanwezig mag zijn;

 

40.  seksautomatenhal

           een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door middel van automaten filmvoorstellingen en/of live-shows van erotische en/of pornografische aard kunnen worden gegeven;

 

41.  seksbioscoop en/of -theater

           een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door vertoningen van erotische en/of pornografische aard kunnen worden gegeven;

 

42.  seksinrichting

           de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotisch-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

 

43.  stacaravan

een kampeermiddel bestaande uit één al dan niet samengesteld geheel, waarvan ieder deel is voorzien van een as en wielenstelsel en waarvan ieder deel op ieder moment te voorzien is van een dissel, met een totale oppervlakte van maximaal 70 m² en maximaal 4.50 meter hoog is;

 

44.  standplaats

een ruimte voor het plaatsen van een kampeermiddel;

 

45.  standplaats voor trekkershut c.q campingcottage

een standplaats voor het plaatsen van een recreatieverblijf van eenvoudige constructie bedoelt voor een korte verblijfsduur;

 

46.  straatprostitutie

              het zich op de openbare weg respectievelijk op openbare ruimten of in een zich op de openbare weg respectievelijk openbare ruimte bevindend voertuig beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

 

47.             toeristische standplaats

een standplaats waarop een kampeermiddel gedurende een periode van hooguit enkele weken, met een maximum van 3 maanden, aanwezig mag zijn;

 

48.             verblijfsvoorzieningen

gronden waarbij de nadruk ligt op het verblijf van personen in het openbaar gebied en die tevens een verkeersfunctie hebben voor fietsers en voetgangers;

 

49.  Wed

              de Wet op de economische delicten, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;

 

50.  weg

           als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub b van de Wegenverkeerswet 1994, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;

 

51.  woning

           een gebouw, dat dient voor de huisvesting van personen;

 

52.  Wro

           de Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van het plan.


Artikel 2 Wijze van meten

           Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

 

1.                  afstanden

              van bouwwerken onderling, alsmede afstanden van bouwwerken tot de bouwperceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn;

 

2.                  het bebouwde oppervlakte van een bouwperceel of een ander terrein

              door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en overkappingen bij elkaar op te tellen, tenzij in deze regels anders is bepaald;

 

3.                  de bouwhoogte van een bouwwerk

           vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijkt te stellen bouwonderdelen;

 

4.                  de goothoogte van een bouwwerk

           vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

 

5.                  de oppervlakte van een bouwwerk

           tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

 

6.                 de breedte en diepte van een bouwwerk

           tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat;

 

7.                  de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

 

8.                 het bedrijfsvloeroppervlak

           binnenwerks op de vloer van de ruimten die ingevolge het plan worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsmatige activiteiten;

 

9.                  ondergeschikte bouwdelen

           bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, portalen, balkons en overstekende daken, worden bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,00 meter bedraagt.


Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen

3.1         Bestemmingsomschrijving

3.1.1     Bestemming

De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

 

a.         plantsoen, bermstroken, bermsloten, waterpartijen, paden, een ontsluiting en andere tot de bestemming behorende groen- en recreatieve voorzieningen;

 

b.         ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – calamiteitenontsluiting’: tevens een calamiteitenontsluitingsweg.

                            

3.1.2     Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de kaart aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 3.1.1 bedoelde bestemming worden gebouwd:

 

a.         bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3.2         Bouwregels

3.2.1     Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels:

 

a.         de onbebouwde onderhoudstrook- en schouwstrook bedraagt langs bestaande waterlopen minimaal 2,00 meter en de langs nieuwe waterlopen minimaal 5,00 meter. Opgaande beplanting is hier tevens niet toegestaan;

 

b.         de bouwhoogte bedraagt maximaal 2,00 meter.

3.3         Nadere eisen

3.3.1     Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een bouwvergunning, nadere eisen te stellen ten aanzien van:

 

a.                      de plaatsing en vormgeving van bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

3.3.2     De in lid 3.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid in verband met calamiteiten.

3.4         Ontheffing van de bouwregels

3.4.1     Ontheffingen

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in:

 

a.                 lid 3.2.1, sub b tot een bouwhoogte van maximaal 10,00 meter.

 

3.4.2       Procedureregels

 

a.         Bij het verlenen van ontheffing als bedoeld in lid 3.4.1 zijn de algemene procedureregels van toepassing zoals deze opgenomen zijn in lid 11;

 

b.         de in lid 3.4.1 genoemde ontheffing kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.


Artikel 4 Recreatie

4.1         Bestemmingsomschrijving

4.1.1     Bestemming

De voor ‘Recreatie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

 

a.         recreatieve voorzieningen;

 

b.                      centrumvoorzieningen met ondergeschikte detailhandel, horeca, sportaccommodatie, speelvoorzieningen, een receptie, magazijnen, kantoren, vergaderruimten, gemeenschappelijke en gebouwen ten behoeve van onderhoud en beheer ten dienste van de recreatieve voorzieningen;

 

c.                      wonen ten behoeve van het bedrijf;

 

d.                      ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - molen’: uitsluitend een molenstomp;

 

e.                      sanitaire voorzieningen, verhardingen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, sportvoorzieningen en overige tot de bestemming behorende voorzieningen.

 

4.1.2     Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de kaart aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 4.1.1 bedoelde bestemming worden gebouwd:

 

a.                      gebouwen

 

b.                      bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

4.2         Bouwregels

4.2.1     Gebouwen

Gebouwen mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels:

 

a.                      Gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht met inachtname van een bebouwingspercentage van 5% buiten het op de kaart aangegeven bouwvlak en een bebouwingspercentage van 75% binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak;

 

b.                      gebouwen ten dienste van centrumvoorzieningen mogen uitsluitend worden opgericht binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak;

 

c.                      de bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van horecavoorzieningen bedraagt maximaal 750 m2 en de goot- en bouwhoogte maximaal 6,00 meter respectievelijk 10,00 meter;

 

d.                      de bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van detailhandelsvoorzieningen bedraagt maximaal 400 m2 en de goot- en bouwhoogte maximaal 6,00 meter respectievelijk 10,00 meter, met dien verstande dat ten behoeve van de verkoop van kampeermiddelen geen nieuwe zelfstandige gebouwen opgericht mogen worden;

 

e.                      er mag maximaal 1 bedrijfswoning worden opgericht. De oppervlakte bedraagt maximaal 200 m², de inhoud maximaal 750 m³ en de goot- en bouwhoogte maximaal 6,00 meter respectievelijk 10,00 meter. De afstand tot de bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 5,00 meter;

 

f.                        bij een bedrijfswoning mogen maximaal 2 bijgebouwen worden gebouwd. De maximale oppervlakte bedraagt 60 m², de goothoogte maximaal 3,25 meter en de dakhelling maximaal 55°. De afstand tot de bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 2,00 meter;

 

g.                      de oppervlakte van sanitairgebouwen, gebouwen voor onderhoud en opslag en overige niet voor bewoning bestemde gebouwen bedraagt maximaal 250 m² per gebouw en de goot- en bouwhoogte maximaal 6,00 meter respectievelijk 10,00 meter;

 

h.                      de oppervlakte van een stacaravan exclusief bijgebouwen bedraagt maximaal 70 m² en de bouwhoogte maximaal 4,50 meter;

 

i.                         het aantal standplaatsen voor trekkershutten en campingcottages bedraagt maximaal 25, de goothoogte maximaal 3,25 meter, de oppervlakte per gebouw maximaal 60 m² en de dakhelling maximaal 55°.

 

j.                        de oppervlakte van een bijgebouw op een standplaats bedraagt maximaal 8 m² en de bouwhoogte maximaal 2,50 meter.

 

4.2.2       Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels:

 

a.         Bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen uitsluitend worden opgericht met inachtname van een bebouwingspercentage van 5% buiten het op de kaart aangegeven bouwvlak en een bebouwingspercentage van 75% binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak;

 

b.         de bouwhoogte bedraagt maximaal:

-        speeltoestellen                                                       6,00 meter;

-        openbare nutsvoorzieningen                                      3,50 meter;

-        lichtmasten en overige masten                                   8,00 meter;

-        antennes ten behoeve van telecommunicatie                10,00 meter;

-        overige bouwwerken geen gebouwen zijnde                  2,00 meter.

4.3         Nadere eisen

4.3.1     Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een bouwvergunning, nadere eisen te stellen ten aanzien van:

 

a.                      de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar;

 

b.                      de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen;

 

c.                      de plaatsing en vormgeving van bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

4.3.2     De in lid 4.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid in verband met calamiteiten.

4.4         Ontheffing van de bouwregels

4.4.1     Ontheffingen

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in:

 

a.                      lid 4.2.1, sub a tot een bebouwingspercentage van maximaal 6% buiten het op de kaart aangegeven bouwvlak;

 

b.                      lid 4.2.1, sub c, d en e tot een overschrijding van de goot- en bouwhoogte met maximaal 1,00 meter;

 

c.                      lid 4.2.1, sub g tot een oppervlakte van maximaal 400 m² per gebouw;

 

d.                      lid 4.2.1, sub f tot een overschrijding van de goothoogte met maximaal 1,00 meter;

 

e.                      lid 4.2.1, sub i tot een maximum van 50 trekkershutten en campingcottages;

 

f.                        lid 4.2.2, sub b tot een bouwhoogte van maximaal 10,00 meter.

 

4.4.2       Procedureregels

 

a.         Bij het verlenen van ontheffing als bedoeld in lid 4.4.1 zijn de algemene procedureregels van toepassing zoals opgenomen in lid 11 van deze regels;

 

b.         de in lid 4.4.1 genoemde ontheffingen kunnen slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

4.5         Specifieke gebruiksregels

4.5.1     Gebruiksoppervlakte

           De gemiddelde oppervlakte van jaarstandplaatsen bedraagt minimaal 140 m² per jaarstandplaats en van seizoens- en toeristische standplaatsen minimaal 100 m² per standplaats.

 

4.5.2     Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

 

a.                      het in gebruik nemen van kampeermiddelen, trekkershutten, campingcottages en van gronden, gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, uitgezonderd bedrijfswoningen, voor permanente bewoning;

 

b.                      het gebruik van meer dan 10% van de gronden binnen het plangebied ten behoeve van de verkoop van kampeermiddelen.


Artikel 5 Waarde - Archeologie

5.1         Bestemmingsomschrijving

5.1.1     Bestemming

De voor ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden, met dien verstande dat in geval van strijdigheid van regels, de regels van dit artikel voor de regels gaan  die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

 

5.1.2     Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen worden gebouwd:

 

a.                      bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2         Bouwregels

5.2.1     Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels:

 

a.         de bouwhoogte bedraagt maximaal 2,00 meter.

 

5.2.2      Ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen worden bouwwerken gebouwd met inachtneming van aan één of meer van de volgende regels:

 

a.                       het bouwwerk dient ter vervanging van een reeds aanwezig bouwwerk, waarbij de horizontale en verticale afmetingen van de fundering van dat bouwwerk niet veranderen;

 

b.                       het bouwwerk en de fundering, waaronder begrepen paalfunderingen, niet dieper komen te liggen dan 0,30 meter beneden het maaiveld;

 

c.                        het grondoppervlak van het bouwwerk maximaal 30 m² bedraagt;

5.3         Nadere eisen

5.3.1     Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een bouwvergunning, nadere eisen te stellen ten aanzien van:

 

a.                      de plaatsing en vormgeving van bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

5.3.2     De in lid 5.3.1 bedoelde nadere eis mag slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid in verband met calamiteiten.

5.4         Ontheffing van de bouwregels

5.4.1     Ontheffingen

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in:

 

a.                      lid 5.2.1, sub a tot een bouwhoogte van maximaal 10,00 meter;

 

b.                      lid 5.2.2 voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de voor deze gronden geldende andere bestemming(en), mits de archeologische waarden van de gronden hierdoor niet onevenredig worden geschaad.

 

5.4.2       Procedureregels

 

a.         Bij het verlenen van ontheffing als bedoeld in lid 5.4.1 zijn de algemene procedureregels van toepassing zoals deze opgenomen zijn in lid 11;

 

b.         de in lid 5.4.1 genoemde ontheffing kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;

 

c.         alvorens te beslissen omtrent het verlenen van een ontheffing als bedoeld in lid 5.4.1, sub b winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige met betrekking tot de vraag of door het verlenen van de ontheffing, de in bedoelde gronden aanwezige archeologische waarden niet of slechts in geringe mate worden aangetast.

5.5         Aanlegvergunning

5.5.1      Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

 

a.                       het aanbrengen, verleggen en verbreden van pa­den, we­gen en parkeer­ge­legen­he­den, alsmede het aan­bren­gen of wijzigen van opper­vlakte­ver­har­din­gen;

 

b.                       het aanbrengen en verleggen van on­dergrondse transport-, energie- of te­le­commu­ni­ca­tie­lei­din­gen en de daar­mee ver­band hou­dende constructies, installaties en appa­ra­tuur;

 

c.                        het ontginnen, verla­gen, af­gra­ven, ophogen of ega­li­se­ren van de bo­dem;

 

d.                       het graven, verbreden, dem­pen van sloten of het geheel of gedeeltelijk dempen van drinkputten en welen;

 

e.                       het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 meter, waaronder woelen en draineren;

 

f.                         het wijzigen dan wel verwijderen, ofwel het vellen of rooien, van houtwalprofielen en houtgewassen;

 

g.                       houtteelt, het bebossen van gronden of het aanbrengen van wegbeplanting;

 

h.                       het aanleggen van boomgaarden, uitgezonderd herinplant in het kader van onderhoud;

 

i.                         het aanbrengen van windsingels rondom boomgaarden of het aanbrengen van erfbeplanting waarvan de kruinhoogte in volwassen staat meer dan 4,00 meter bedraagt.

 

5.5.2      Het in lid 5.5.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

 

a.           werken en/of werkzaamheden voor normaal onderhoud en beheer, mits deze niet leiden tot onevenredige schade aan en/of onomkeerbare gevolgen voor de landschappelijke, geomorfologische of archeologische waarden;

 

b.                       werken en/of werkzaamheden die het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering zijn;

 

c.                        werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende bouw- of aanlegvergunning of ontgrondingvergunning;

 

d.                       werken en/of werkzaamheden waarbij geen grondbewerkingen plaatsvinden dieper dan 0,30 meter beneden het maaiveld;

 

e.                       werken of werkzaamheden over een oppervlakte kleiner dan 30 m²;

 

f.                         archeologisch onderzoek.

 

5.5.3    Procedureregels

 

a.                       Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in lid 5.5.1 zijn slechts toelaatbaar indien hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, waarden van de gronden, die het plan beoogt te beschermen, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;

 

b.                       alvorens te beslissen omtrent een aanlegvergunning winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een aanlegver­gun­ning geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de betreffende waarden van het gebied.

5.6         Wijzigingsbevoegdheid

5.6.1      Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingsvlakken met de bestemming ‘Waarde – Archeologie’ geheel of gedeeltelijk van de kaart te verwijderen, indien:

 

a.                       uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;

 

b.                       het op grond van archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

 

5.6.2        Procedureregel

 

a.         Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in lid 5.6.1 zijn de algemene procedureregels van toepassing zoals deze opgenomen zijn in lid 11;

 

b.         de in lid 5.6.1 genoemde wijziging kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;

 

c.         alvorens te beslissen omtrent het wijzigingen van de bestemming winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige met betrekking tot de vraag of door het wijzigen van de bestemming, de in bedoelde gronden aanwezige archeologische waarden niet of slechts in geringe mate worden aangetast.


 

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.


Artikel 7 Algemene gebruiksregels

7.1.1     Gebruiksverbod

Tot het verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval gerekend:

 

a.         het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden, gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming;

 

b.         het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden, gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en raam- en straatprostitutie.


Artikel 8 Algemene aanduidingsregels

Binnen de op de kaart als ‘veiligheidszone’ aangewezen gronden is het bouwen van nieuwe gevoelige bebouwing, in overeenstemming met het bepaalde in hoofdstuk 2 van dit plan, uitsluitend toegestaan, indien is gebleken dat het risico in verband met de veiligheid niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde.

 


Artikel 9 Algemene ontheffingsregels

9.1         Ontheffingsbevoegdheid           

9.1.1     Ontheffingsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen ten behoeve van:

 

a.                      het overschrijden van de naar de weg gekeerde bouwgrens, zomede van de ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelsgrens bepaalde minimumafstand, voor zover deze niet leiden tot wijziging van bestemmingen, door erkers, balkons en bordessen tot maximaal 1 meter en door ingangspartijen tot maximaal 2 meter, mits de bebouwde oppervlakte maximaal 6 m² en de bouwhoogte maximaal 3 meter zal bedragen;

 

b.                      geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein;

 

c.                      het afwijken van hoogte-, breedte- en dieptematen voor bebouwing, oppervlakte en bebouwingspercentages tot maximaal 10% van de voorgeschreven maten.

 

9.1.2       Procedureregels

 

a.         Bij het verlenen van ontheffing worden de procedureregels in acht genomen zoals deze opgenomen zijn in lid 11;

 

b.         de in lid 9.1.1 genoemde ontheffingen kunnen slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.


Artikel 10 Algemene wijzigingsregels

10.1      Wijzigingsbevoegheid

10.1.1   Wijzigingsregel

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van:

 

a.                      geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal 5,00 meter toelaatbaar;

 

b.                      het overschrijden van de naar de weg gekeerde bouwgrens, zomede van de ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelsgrens bepaalde minimumafstand, voor zover deze niet leiden tot wijziging van bestemmingen, door erkers, balkons en bordessen tot maximaal 1,00 meter en door ingangspartijen tot maximaal 2,00 meter, mits de bebouwde oppervlakte maximaal 6 m² en de bouwhoogte maximaal 3,00 meter zal bedragen;

 

c.                      het bouwen van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde van geringe afmetingen ten dienste van het openbaar nut met een oppervlakte van maximaal 15 m² en een bouwhoogte van maximaal 3,50 meter.

 

10.1.2   Procedureregels

 

a.         Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheden worden de procedureregels in acht genomen zoals deze opgenomen zijn in lid 11;

 

b.         de in lid 10.1.1 genoemde wijzigingen kunnen slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.


Artikel 11 Algemene procedureregels

Bij toepassing van een ontheffings- of wijzigingsbevoegdheid zoals deze onderdeel uitmaakt van dit plan is, met inachtneming van artikel 3.6 Wro, de uniforme openbare voorberei­dingsprocedure van afdeling 3.4 Awb van toepassing.

 

 


Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1      Overgangsrecht gebruik

12.1.1   Gebruik

a.                      Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

 

b.                      het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 12.1.1, sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

 

c.                      indien het gebruik, bedoeld in lid 12.1.1, sub a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

 

d.                      lid 12.1.1, sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

12.2      Overgangsrecht bouwwerken

12.2.1   Bouwwerken

a.                      Een bouwwerk dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel opgericht kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

§                gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

§                na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;

 

b.                      Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van lid 12.2.1, sub a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 12.2.1, sub a met maximaal 10 %;

 

c.                      lid 12.2.1, sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, maar zijn opgericht zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

            12.3    Ontheffing overgangsrecht

Voor zover van toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot onbillijkheid van overwegende aard jegens één of meer natuurlijke personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht ontheffing verlenen.

12.4    Bestaande afstanden en andere maten

12.4.1 Afstanden

Indien afstanden ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

 

12.4.2 Maten

In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde op de dag van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan meer of minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal worden aangehouden.

 

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Camping De Haas’.