Document

Toelichting

 

behorende bij het bestemmingsplan “Goese Meer” in de gemeente Goes.

 
 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

 

 

1 Aanleiding

 

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het plangebied Goese Meer in de stad Goes. De stad Goes valt onder gemeente Goes. De gemeente heeft besloten om alle (verouderde) bestemmingsplannen binnen haar grondgebied te actualiseren en waar een plan ontbreekt een plan voor te bereiden en gelijktijdig te digitaliseren. Hierbij is het uitgangspunt om per bebouwde kom één bestemmingsplan op te stellen met uitzondering van de stad Goes, vanwege de grote omvang van de bebouwde kom van deze stad. Voor de stad Goes zullen de afzonderlijke bebouwde komplannen worden geactualiseerd. Zodoende dient er ook bestemmingsplan te worden opgesteld voor het plangebied Goese Meer. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.

 

Bestemmingsplannen mogen in principe niet ouder zijn dan 10 jaar. Verouderde bestemmingsplannen omzeilen immers nieuwe inzichten van hogere overheden en hogere wetgeving. De gemeente heeft daarom een wettelijke actualiseringsplicht. Daarnaast wil de gemeente een einde maken aan de verouderde plannen en de onderlinge verschillen die er door de verschillende opvattingen in de loop der jaren in zijn gekomen. Deze verschillen leiden tot onduidelijke en ongewenste situaties voor zowel de gemeente als burgers en andere belanghebbenden. Bouwactiviteiten zijn in de bestaande situatie vaak pas mogelijk na kostbare en tijdrovende procedures. Met actuele bestemmingsregelingen dienen minder procedures te worden doorlopen, zijn de procedures korter, is minder ambtelijke capaciteit nodig en hebben belanghebbenden meer rechtszekerheid. Indien gemeenten hun bestemmingsplannen niet tijdig actualiseren, vervalt eveneens de bevoegdheid tot het heffen van rechten die met bepaalde ontwikkelingen gepaard gaan. Hierbij valt te denken aan het heffen van bouwleges. De toelichting van een actueel bestemmingsplan kan tevens een basis bieden voor het toestaan van nieuwe ontwikkelingen of het weigeren van ongewenste bouwinitiatieven.

Voorliggend plan vormt de basis voor een nieuw bestemmingsplan. Het plan biedt een handvat om ontwikkelingen gericht te sturen en daarmee bij te dragen aan het behoud van de ruimtelijke – en leefkwaliteit.

 

De huidige bestemmingsplannen voor dit gebied bestaan uit:

 

 

Deze bestemmingsplannen zijn om meerdere redenen aan vervanging toe. Zo is het wenselijk om deze verschillende bestemmingsplannen te integreren in een bestemmingsplan voor het hele gebied Goese Meer. Verder zijn de maatschappelijke normen over wat in een bestemmingsplan vastgelegd dient te worden de afgelopen jaren gewijzigd; de in de vigerende plannen gehanteerde systematiek is inmiddels achterhaald. Het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat alle bestemmingsplannen een bepaalde mate van uniformiteit moeten hebben. Hiertoe is een Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2008 opgesteld. De toepassing van de SVBP 2008 is vanaf 1 januari 2010 bij wet verplicht. Gemeente Goes heeft een handboek opgesteld waarin standaardbepalingen zijn opgenomen.

 

De nieuwe bestemmingsplannen worden voorzien van een zogenaamde IMRO-codering, wat inhoudt dat de bestemmingsplannen volledig digitaal uitgewisseld kunnen worden en in de toekomst ook door middel van internet raadpleegbaar zijn. In principe is het nu al zo dat bestemmingsplannen in de vorm van een pdf digitaal raadpleegbaar zijn via internet. Vanaf 1 januari 2010 zijn overheden verplicht om ruimtelijke plannen IMRO- gecodeerd beschikbaar te stellen. Dat wil zeggen dat de burger middels een GIS-viewer interactief een bestemmingsplan kan bekijken. Met behulp van de toegepaste codering kan een burger met één druk op de knop de relevante juridische informatie over het betreffende perceel oproepen.

 

Zoals vermeld betreft voorliggend plan het bestemmingsplan voor het Goese Meer. In de figuren 1 tot en met 3 is het plangebied weergegeven. Het plangebied wordt in het noorden begrensd door de Krukweg en de Kattendijkseweg. De oostgrens wordt gevormd door de achterzijde van de bebouwing aan de Golfzichtlaan en de Krukweg. De Goesemeerlaan en de Houtkade vormen de begrenzing in het zuiden en de Westhavendijk vormt de westelijke begrenzing.

 

 

 

[image]

Afbeelding: luchtfoto plangebied Goese Meer

 

 

 

 

 

 

[image]

Afbeelding: overzicht voormalige bestemmingsplannen van het plangebied

[image]

 

Afbeelding: straatnamenkaart plangebied
 

2 Opzet

 

Met de visie op het plangebied (hoofdstuk 4) geeft de gemeente aan welke ontwikkelingen zij, binnen de planperiode van tien jaar en binnen de marges van het reële gewenst acht. Om een visie te kunnen formuleren en een bestemmingsplan op te kunnen stellen, dient allereerst de uitgangssituatie in beeld te worden gebracht. Hoofdstuk 3 gaat derhalve in op de inventarisatie en analyse van het plangebied. Daarvoor komt, in hoofdstuk 2 het beleidskader dat op voorliggend plan van toepassing is, aan de orde. Hoofdstuk 5 gaat in op de milieu- en duurzaamheidsaspecten van het plan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Hoofdstuk 7 gaat in op de handhaving van de voorschriften van dit bestemmingsplan. Tenslotte komen in hoofdstuk 8 en 9 de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke toetsing/overleg aan de orde.

 
 

HOOFDSTUK 2 Beleidskader

 

In dit hoofdstuk komt het beleidskader dat op voorliggend plan van toepassing is aan de orde. Er wordt gekeken naar algemene beleidslijnen waarbij in sommige gevallen specifiek wordt ingegaan op de toepasbaarheid van dit beleid op het plangebied.

 

1 Rijksbeleid

 

 

1.1 Nota Ruimte

 

De Nota Ruimte, in werking getreden op 27 februari 2006, bevat het nationaal ruimtelijk beleid tot 2020, waarbij de periode 2020-2030 geldt als doorkijk naar de lange termijn. Het kabinet brengt de Nota Ruimte uit als kabinetsstandpunt (deel 3) van de PKB Nationaal Ruimtelijk Beleid. Hoofddoel van het nationaal ruimtelijk beleid is om ruimte te scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies. Het beperkte oppervlak dat Nederland ter beschikking staat, maakt het nodig dit op een efficiënte en duurzame wijze te doen en niet alleen in kwantitatieve, maar ook in kwalitatieve zin vorm te geven. Daarbij is het belangrijk dat iedere overheidslaag in staat wordt gesteld de eigen verantwoordelijkheid waar te maken. Meer specifiek richt het kabinet zich in het nationaal ruimtelijk beleid op de versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland, bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland, borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden en borging van de veiligheid.

 

Het kabinet streeft naar basiskwaliteit voor steden en dorpen en de bereikbaarheid daarvan. Voor verstedelijking, economische activiteiten en infrastructuur gaat het Rijk uit van de bundelingstrategie. Dit betekent dat nieuwe bebouwing voor deze functies grotendeels geconcentreerd tot stand komt, dat wil zeggen in bestaand bebouwd gebied, aansluitend op het bestaande bebouwde gebied of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten. De ruimte die in het bestaande stedelijke gebied aanwezig is, moet door verdichting optimaal worden benut. Uitgangspunt is dat in iedere gemeente voldoende ruimte wordt geboden om te voorzien in de natuurlijke bevolkingsaanwas en de lokaal georiënteerde bedrijvigheid. Gemeenten zijn niet verplicht (al dan niet volledig) gebruik te maken van deze mogelijkheid. Afstemming in regionaal verband is echter wenselijk om te komen tot de juiste woonmilieutypen en locatiekeuzen, met name in relatie tot de woningbouwafspraken. Het is de verantwoordelijkheid van provincies en (samenwerkende) gemeenten om dit generieke ruimtelijke beleid uit te werken.

 

2 Provinciaal beleid

 

 

2.1 Omgevingsplan Zeeland vastgesteld 30 juni 2006

 

Het Omgevingsplan Zeeland is het beleidsplan van de provincie dat op hoofdlijnen aangeeft hoe onze provincie er over vijftien tot twintig jaar uit moet zien. Het plan is de opvolger van drie belangrijke beleidsplannen: het Streekplan (1997), Samen slim met water (2000) en Groen licht (2000). Het streven is gericht op een vitale samenleving en een vitale economie, om zo kwaliteiten te kunnen behouden en te bewerkstelligen. De bestaande kwaliteiten bieden kansen, maar het benutten van deze kansen mag er niet toe leiden dat die of andere kwaliteiten verloren gaan. Het centrale thema is: "duurzaam ontwikkelen". Dit uitgangspunt is uitgewerkt in drie hoofddoelstellingen van beleid:

 

 

In het onderstaande zal worden ingegaan op de twee eerst genoemde hoofddoelstellingen.

 

 

2.1.1 Omgevingskwaliteit

Het omgevingsplan biedt meer ruimte voor nieuwe ontwikkelingen, maar de inpassing van deze ontwikkelingen mogen niet ten koste gaan van de omgevingskwaliteiten. Derhalve is onderscheid gemaakt in een tweetal gebiedsgerichte strategieën:

 

De eerste strategie geldt voor zeer kwetsbare en waardevolle gebieden. Binnen dit regime zijn nieuwe projecten, plannen of handelingen niet toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van een gebeid significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van algemeen belang. Het plangebied valt onder de strategie "ruimte voor nadere afweging". Bij het afwegen van de inpassing van nieuwe ontwikkelingen en initiatieven spelen bij deze strategie de volgende aspecten bij een rol:

 

- Gewenste ontwikkeling: De keuze voor wat wenselijke ontwikkelingen zijn wordt ingegeven op basis van de gewenste economische en sociaal-culturele en ruimtelijke dynamiek. Het al dan niet wenselijk zijn van een ontwikkeling wordt veelal ingegeven door beleidskeuzes;

 

- Locatiekeuze: De locatiekeuze is sterk van invloed op het effect dat een ontwikkeling heeft op de omgevingskwaliteit. Als de verschillende omgevingskwaliteiten op een goede manier geanalyseerd worden dan werken ze sturend op de locatiekeuze. De mate van sturing zal per locatie verschillend uitpakken vanwege de verschillen in omgevingskwaliteit;

 

- Vormgeving: Nieuwe ontwikkelingen dienen de omgevingskwaliteiten te benutten. Door de vormgeving van de bebouwde én de onbebouwde omgeving van de nieuwe ontwikkeling wordt hier invulling aan gegeven. De vormgeving van nieuwe bebouwing dient dan ook qua hoogte, massa, materiaalgebruik, schaal en maatverhouding aansluiting te zoeken bij de omgevingskwaliteiten van de beoogde locatie, de omgeving en de reeds gerealiseerde bebouwing. Bij de vormgeving van de onbebouwde omgeving is het minstens zo belangrijk om de omgevingskwaliteiten te benutten. Hierbij gaat het om de structuur, de inrichting en de aankleding van de onbebouwde ruimte en de aansluiting op de directe omgeving of de landschappelijke inpassing;

 

- Bijdrage versterking omgevingskwaliteiten: Uitgangspunt is dat in een aantal situaties van nieuwe projecten of initiatieven een directe bijdrage geleverd moet worden aan het versterken van de omgevingskwaliteiten. De manier waarop uitwerking is gegeven aan dit principe, in een concreet project of een gebied, maakt onderdeel uit van de uiteindelijke afweging van het al dan niet inpasbaar zijn van een nieuwe ontwikkeling;

 

 

Voorgenoemde punten zijn in acht genomen bij het opstellen van onderhavig bestemmingsplan.

 

2.1.2 Bevolkingsgroei

Met betrekking tot voorliggend plan wordt ingegaan op wonen en de woonomgeving. Het bieden van voldoende ruimte voor wonen vormt het uitgangspunt van het provinciale woonbeleid. Bundeling, zorgvuldig ruimtegebruik en het realiseren van kwaliteit en diversiteit staan daarbij centraal.

 

Het plangebied is in het omgevingsplan aangeduid als een ontwikkelingszone in de regio de Bevelanden. Voor de regio de Bevelanden dient 70% van de woningproductie in de stedelijke ontwikkelingszone Goes plaats te vinden: het plangebied is in deze stedelijke ontwikkelingszone gelegen.

 

Om voldoende aandacht voor het bestaand bebouwd gebied te genereren, hebben gemeenten de taakstelling om in hun gemeentelijke woningbouwplanningen 50% van de woningbouwproductie binnen de grens van het bestaand bebouwd gebied te realiseren (inbreiding). Het gaat hierbij om de bruto woningbouwproductie (het totale aantal gebouwde woningen zonder aftrek van de gesloopte woningen). Deze doelstelling wordt getoetst op gemeentelijke schaal. Het onderscheid tussen inbreiding en uitbreiding wordt bepaald aan de hand van de, in overleg met gemeenten, vastgestelde grenzen voor bestaand bebouwd gebied.

 

In het plangebied zijn geen potentiële ontwikkelingslocaties of structurele knelpunten aanwezig. Het bestemmingsplan maakt alleen verbouwingen en uit- en aanbouwen bij de bestaande woningen mogelijk.

 

2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening

 

De hoofddoelstellingen van het omgevingsplan zijn door Provincie Zeeland juridisch vormgegeven in de Provinciale Ruimtelijke Verordening zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De betreffende verordening is vastgesteld op 9 april 2010. De artikelen uit de verordening zijn in acht genomen bij het opstellen van onderhavig bestemmingsplan.

 

3 (Boven)gemeentelijk beleid

 

 

3.1 De Bevelanden Werkt. Ruimte voor econmische dynamiek (juli 2004)

 

De gemeenten Noord-Beveland, Goes, Kapelle, Borsele en Reimerswaal hebben het Bestuurlijk Platform deBevelanden in het leven geroepen, omdat zij geografisch gezien en vanwege functionele verbanden als regio herkenbaar zijn. Als input voor het Omgevingsplan is in juli 2004 "De Bevelanden Werkt" opgesteld. Dit is onderdeel van de thematische regiovisie (wonen, werken, recreatie) die de volgende doelen heeft:

 

Het heeft bovendien als doel om de economische positie van de Bevelanden in beeld te brengen en aan te geven waar kansen voor economische ontwikkelingen liggen.

 

Geografisch gezien hebben de Bevelanden nog kenmerken van eilanden, polders en agrarisch gebied met één grote stad (Goes) en in groter verband gezien een zeer goede ontsluiting ten opzichte van de omgeving. De productiestructuur blijkt een breed samengesteld spectrum te bevatten, met relatief veel agrarische bedrijvigheid, visserij, horeca en recreatie. Goes wordt gekarakteriseerd als het centrum, waar zakelijke dienstverlening, welzijn en zorg sterk vertegenwoordigd zijn. Voor de havens geldt dat containers, shortseashipping en logistiek sterke pijlers zijn.

 

In 2004 bleek er 540 ha capaciteit aan 'nat' bedrijventerrein te zijn, verdeeld over een groot aantal terreinen. De capaciteit aan 'droge' terreinen bleek ca. 131 ha. te bedragen, geconcentreerd op enkele grote terreinen. De beroepsbevolking in de Bevelanden verschilt qua opleidingsniveau weinig ten opzichte van heel Zeeland en zal nog slechts beperkt groeien. Kansen worden gezien voor de agribusiness, aquacultuur en glastuinbouw.

 

In de visie op de economische ontwikkeling is het streven naar het voortbouwen op gedifferentieerde economische structuur en het benutten van de kansen, met name:

 

3.2 Woningbouwplanning 2008 tot en met 2017 (vastgesteld op 15 mei 2008)

 

De woningbouwplanning, waarmee de provincie heeft ingestemd, is voor de gemeente een instrument om bewust om te kunnen gaan met het bouwen en aanpassen van woningen. Hiervoor gelden twee redenen; een kwantitatieve en een kwalitatieve noodzaak. Kwantitatief dient de woningvoorraad in evenwicht te zijn. Kwalitatief moet er voor gezorgd worden dat zoveel mogelijk tegemoet gekomen wordt aan de vraag van de woonconsument. In de woningbouwplanning 2008 tot en met 2017 is hier zo veel mogelijk rekening mee gehouden.

 

De gemeente Goes streeft ernaar woningen zoveel mogelijk levensloopbestendig te bouwen. Levensloopbestendig bouwen wil zeggen dat de woning voor iedere doelgroep geschikt is, of zonder veel kosten geschikt te maken is. Deze term is een container begrip waarbij diverse termen in beleidsstukken hetzelfde beogen, namelijk het zolang mogelijk zelfstandig wonen mogelijk maken (een en ander met het oog op Wet maatschappelijke ondersteuning en kostenbesparing Wet voorzieningen gehandicapten). Het ziet toe op de kwaliteit die aan een woning wordt gehangen. Het begrip heeft een sterke ontwikkeling gekend, vanaf seniorenwoning, woningkeurmerk tot levensloopbestendig, mede als gevolg van het streven naar een duurzame stedenbouw.

Levensloopbestendige woningen zijn woningen die vanwege de externe en interne toegankelijkheid in principe geschikt zijn voor bewoning in alle levensfasen. Deze woning is ook goed te bewonen door ouderen en mensen met een handicap, maar bovendien voldoet de woning aan aanvullende eisen. Als nieuwbouwnorm geldt het consumenten keurmerk (woonkeur).

 

Bij het toetsen van aanvragen tot verbouwingen en het realiseren van uit- en aanbouwen bij de bestaande woningen wordt dit beleidsdocument in ogenschouw genomen.

 

3.3 Goes Groenstructuurplan 2003- 2012 (april 2004)

 

In het Groenstructuurplan wordt gestreefd naar het waarborgen en verhogen van de kwaliteit van het woon-, werk- en leefmilieu in de gemeente Goes door het versterken van de groenstructuur. Het plan vormt een lange termijnvisie op de gewenste ontwikkelingen van het groen in de bebouwde kom. Het Goese Meer is een voorbeeld van ‘hoogwaardig groen’ wat leidt tot een aantrekkelijke woon- en werkomgeving. Tot de belangrijkste bestaande groenstructuur van het plangebied behoren:

- Goese meer als stadspark: Het Goese Meer en de golfbaan zijn tezamen met het recreatiegebied de Hollandsche Hoeve, het strand, de Kattendijksedijk en het park Valckeslot bestempeld als stadspark. Door de ontwikkeling van het Goese Meer en de golfbaan zijn de kwaliteit en omvang van dit stadspark aanzienlijk verhoogd.

- Goese meer als bufferzone: Aan de oostzijde van Goes is het volgens het Groenstructuurplan wenselijk om de scheiding tussen Goes en Kloetinge te versterken. Dit wordt gevormd door een circa 300 meter bufferzone van groen te realiseren. Deze zone vormt tevens een groene verbinding tussen het Goese Meer en de Weitjes.

 

3.4 Welstandnota (juli 2004)

 

Het welstandsbeleid van de gemeente Goes is verwoord in de "Welstandsnota Goes". Het belangrijkste doel van het welstandsbeleid is het vormen van een toetsingskader voor welstand, waarmee de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten behouden en versterkt kunnen worden. Hiervoor zijn een aantal beoordelingskaders opgesteld, waaronder gebiedsgerichte beoordelingskaders. Deze dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsomschrijving van het desbetreffende deelgebied waarop de bouwaanvraag van toepassing is te worden gehanteerd. Voor het plangebied is er onderscheid gemaakt in 17 verschillende gebiedstypen.

 

3.4.1 Gebiedstype

Het Goese Meer valt onder het gebiedstype “Individuele woningbouw”. Hier worden woningen mee aangeduid die voornamelijk bestaan uit vrijstaande en gevarieerde bebouwing. Verder kenmerkt dit gebiedstype zich doordat de straten en buurten een groen en vaak dorps karakter hebben. De invloeden van de stedenbouwkundige stromingen door de jaren heen zijn ook zichtbaar in de diverse vrije sectorwijken uit de verschillende bouwperiodes. De woningen zijn doorgaans individueel ontworpen, en hebben daardoor een eigen en herkenbaar gezicht. Door individueel

materiaal- en kleurgebruik ontstaat een afwisselend geheel. Als er voldoende ruimte tussen de panden aanwezig is, resulteert dit in een rustig en evenwichtig straatbeeld. Daar waar de tussenruimtes wat beperkter zijn wekt dit echter een onrustig en rommelig beeld in de hand. De ruimer opgezette woongebieden zijn hierdoor minder kwetsbaar dan de compactere woongebieden. Om de samenhang te versterken zonder ruimte te verliezen wordt vanaf het einde van de jaren ‘80 veel aandacht besteed aan de ruimtelijke kwaliteit van deze wijken. Dit gebeurt vanaf de jaren ‘90 onder andere met behulp van beeldkwaliteitplannen.

 

3.4.2 Goese Meer

Het Goese Meer is in het noorden van de kern Goes gesitueerd. Het gebied wordt in het noorden begrensd door de Krukweg en de Kattendijkseweg. De oostgrens wordt gevormd door de achterzijde van de bebouwing aan de Golfzichtlaan en de Krukweg. De Goesemeerlaan en de Houtkade vormen de begrenzing in het zuiden en de Westhavendijk vormt de westelijke begrenzing. Het Goese Meer is een ruim opgezet villapark dat is ontwikkeld rondom het water. De woonstraten in het gebied eindigen allen doodlopend of in een cul-de-sac. Vrijwel iedere kavel in deze wijk grenst met één zijde aan het water. De bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit vrijstaande villa’s, meestal van één bouwlaag met hoge kap of twee bouwlagen met plat dak. De woningen zijn onderling sterk uiteenlopend architectonisch vormgegeven. Hierbij is veelal sprake van een uit meerdere delen samengestelde hoofdmassa, waardoor de relatief grote panden toch een enigszins kleinschalig karakter krijgen. De kapvormen zijn eveneens gevarieerd. Er is voornamelijk gebruik gemaakt van bakstenen gevels in een lichte kleur. De houten geveldelen hebben eveneens een lichte kleur. De dakvlakken zijn daarentegen meestal uitgevoerd in antracietkleurige of donkerrode dakpannen

 

3.5 Beleidsplan duurzaam bouwen van de gemeente Goes (oktober 2003)

 

In dit beleidsplan is gestalte gegeven aan de wijze waarop de gemeente Goes wil omgaan met duurzaam bouwen en uiteindelijk integrale woningkwaliteit. In het kader van duurzaam bouwen heeft de gemeente het Zeeuws Convenant Integrale Woningkwaliteit ondertekend. Dit beleidsplan betreft een verdergaand voorstel.

 

3.6 Goes Veilig, Kernbeleid Veiligheid en Leefbaarheid (juli 2003)

 

Op basis van dit kernbeleid zet de gemeente Goes zich in voor het verbeteren van de veiligheid en de leefbaarheid in wijken en kernen. De gemeente zal bij nieuwe ontwikkelingen vanaf het ontwerpproces structureel aandacht schenken aan de mogelijke veiligheidsrisico's. Het gaat hierbij om veiligheidsaspecten voor sociale veiligheid (inclusief het Politiekeurmerk Veilig Wonen), verkeer, milieu, brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen van rampen, conform het deelplan 'Goes Veilig, het inbouwen van veiligheidsaspecten in het planproces' (2001).

 

3.7 Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan (vastgesteld 25 augustus 2005)

 

In het GVVP worden maatregelen genoemd die in het verlengde liggen van het bestaande verkeersbeleid (verbeteren verkeersveiligheid, verbeteren fietsvoorzieningen, doorstroming autoverkeer), maatregelen die afgestemd zijn op toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen en maatregelen die mogelijk diep ingrijpen op bestaand beleid. Er is tevens een beoordelingskader opgenomen om beleidsmatig de vinger aan de pols te houden. Beleid en toekomstige verkeerskwesties in Goes zullen aan dit kader worden getoetst. In het GVVP is bewust gekozen voor een integrale benadering van alle mobiliteitsdeelnemers op basis van een geografische indeling, waardoor de visie overzichtelijk aanschouwelijk is gemaakt.

 

 
 

4 Conclusies

 

 

Het rijksbeleid (Nota Ruimte) streeft naar bundeling van verstedelijking, economische activiteiten en infrastructuur, dat wil zeggen in bestaand bebouwd gebied, aansluitend op het bestaande bebouwde gebied of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten. In navolging van het provinciale ruimtelijke beleid is het gemeentelijk beleid voor het plangebied hoofdzakelijk conserverend van aard. Getracht wordt de bestaande identiteit, het karakter van het plangebied te behouden. De kernbegrippen zijn 'kwaliteit' en 'kwaliteitsverbetering', waarbij duurzaamheid nagestreefd wordt.

 
 

HOOFDSTUK 3 Inventarisatie en Analyse

 

Voor het formuleren van beleid en het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, de huidige situatie in het plangebied, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op de historie van het plangebied, de functionele en ruimtelijke opbouw van het plangebied en de huidige kwaliteiten, aandachtspunten en ontwikkelingen.

 

1 Historie

 

 

Het plangebied (rondom) het Goese Meer kent een rijke historie. Zo ontstond de nederzetting Goes aan een zijarm van de Schenge, die Korte Gos heette. De plaatsnaam Goes is afgeleid van deze kreeknaam. Eeuwenlang drong de Oosterschelde met vloed de Goese haven binnen. De West- en de Oosthavendijk lagen langs de haven. De Oosthavendijk werd aangelegd bij de uitmonding van de haven zeedijk, en liep door in de richting van Kattendijke. Deze dijk werd later de Kattendijksedijk genoemd. Voorlangs de Kattendijksedijk liep een brede vaargeul, die Goese Diep heette. Ten noorden hiervan ontstonden diverse zandbanken. De bank tegenover de Goese haven werd Mosselbank genoemd. Andere banken in de buurt heetten Goenje en Hongersdijck, welke laatste naam naar een verdronken dorp verwijst. Het Goese Diep fungeerde als een soort rede van Goes, waar de Bretonse zoutschepen en andere zeevaarders een ligplaats vonden.

 

[image] [image]

Afbeelding: Haven van Goes, met rechts het galgenschor aan de Kattendijksedijk. Detail van een stadsplattegrond door Jacob van Deventer, ca. 1560.

De stad Goes met de haven, de rede, de zandbanken, de Kattendijksedijk en het Goese Diep. Detail van een kaart door Lieven Ruyte, 1568. Nationaal Archief.

 

 

 

 

 

 

De zouthandel verdween met de oorlogshandelingen in 1572 rond Goes. Vanaf de late zestiende eeuw begon een proces van aanslibbing. Ten noorden van de Kattendijksedijk groeide het schorgebied steeds verder aan, zodat het Goese Diep aan betekenis als vaarwater inboette. Door diverse oorzaken behoorde de zeevaart in het vervolg in Goes tot het verleden. Het waren vrijwel uitsluitend nog binnenvaartschepen die de stad aandeden. Om vanuit de stad naar het oosten te varen moest men door het Hondegat navigeren, en niet langer door het Goese Diep.

 

De aangroei van het schorrengebied zette in de achttiende eeuw onverminderd door. Dicht bij de Oosterschelde kon rond 1730 een eilandje worden ingepolderd, dat Oost-Bevelandpolder werd genoemd. Om bereikbaar voor schepen te blijven liet Goes diverse malen rijsbermen in dit schorrengebied aanleggen. Men hoopte hiermee de vaargeulen naar de stad op diepte te houden. Het Goese Diep telde in deze tijd als vaarwater niet meer mee. Het schorrengebied raakte steeds meer in gebruik voor schapenbeweiding. Schaapherders wierpen hier en daar hollestelles op, bergjes met bovenop een uitdieping waar drinkwater in bleef staan.

 

Rijke Rotterdamse investeerders lieten in 1809 het immense schorrengebied ten noorden van Goes inpolderen. Deze polder heette aanvankelijk Lodewijkspolder, en vanaf 1815 de Wilhelminapolder. Om de bereikbaarheid van de stad Goes per schip veilig te stellen groef men een kanaal vanaf de vroegere havenmonding naar de Oosterschelde, waar een sluis kwam te liggen. Het voormalige eiland Oost-Beveland kwam geheel binnen de nieuwe polder te liggen. Bij de invoering van het kadaster in 1832 hanteerde men historische namen om de diverse secties aan te duiden. De kadastrale sectie C kreeg de aanduiding Mosselbank. Enkele wegen werden hier aangelegd. Vanaf de Kattendijksedijk loopt de Krukweg in noordwestelijke richting naar het Goese kanaal. Een parallel aan de Krukweg lopende weg meer naar het oosten krijgt de naam Havenweg, tegenwoordig de Kooiweg. De verbindingsweg tussen de hoek in de Krukweg en de Havenweg vormt de Kattendijkseweg, die in noordoostelijke richting naar de zeedijk van de Wilhelminapolder loopt. In de hoek van de Krukweg en de Kattendijkseweg lieten de aandeelhouders in de polder de boerderij Mosselbank bouwen. Deze valt net buiten het plangebied. Alleen in de zuidwestelijke hoek van de Wilhelminapolder lag nog een wat breder restant van het Goese Diep. Dit valt ook buiten het plangebied. De straatnamen uit het Goese Meer zijn voortgekomen uit dit laatste twee genoemde.

 

2 Landschap

 

 

Het landschap van het Goese Meer is als volgt opgebouwd. Aan de noordoostzijde van de Krukweg ligt open polderlandschap. Het Goese Meer en ook de naastgelegen golfbaan waren voorheen een deel van dit open polderlandschap. De woonwijk is ruimtelijk gezien een wijk die naar binnen is gericht en eigenlijk als een vrij geïsoleerd gebied in de omgeving ligt. De wijk vormt geen aansluiting met de aangrenzende omgeving. De begrenzing aan de zuidzijde van de woonwijk wordt gevormd door een bredere groene zone die aansluit op de Kattendijksedijk. Deze strook bestaat uit water en struweel en wordt ecologisch onderhouden. De Kattendijksedijk is onderdeel van de provinciale Ecologische Hoofdstructuur en heeft hierdoor een beschermde status.

 

 

3 Functionele opbouw van het gebied

 

De woonwijk Goese Meer is ingericht met uitsluitend vrijstaande woningen rondom water en groen. Tevens is er in het plangebied een golfbaan gelegen. De functies in het plangebied bestaan uit Wonen en Recreatie.

 

4 Ruimtelijke opbouw van het gebied

 

 

4.1 Ruimtelijke hoofdstructuur

 

Het Goese Meer is gelegen in het noorden van de kern Goes. Zoals eerder gesteld wordt het gebied in het noorden begrensd door de Krukweg en de Kattendijkseweg. De oostgrens wordt gevormd door de achterzijde van de bebouwing aan de Golfzichtlaan en de Krukweg. De Goesemeerlaan en de Houtkade vormen de begrenzing in het zuiden en de Westhavendijk vormt de westelijke begrenzing.

 

Begin jaren ‘90 is het Goese Meer op particulier initiatief ontwikkeld als een exclusief woongebied rondom een kunstmatig meer en een golfbaan. Vanaf 1993 werden de eerste woningen bewoond en tegen het einde van de jaren ’90 was de bouw van het project afgerond.

 

Het Goese Meer is een ruim opgezet villapark dat is omgeven door waterpartijen. De woningen staan op landtongen in het water. De woonstraten in het gebied eindigen allen doodlopend of in een zogenoemd cul-de-sac. Vrijwel iedere kavel in deze wijk grenst met één zijde aan het water. Hierdoor kan met de boot aan de achtertuin worden aangelegd. Doordat het meer in open verbinding staat met het kanaal kunnen de open wateren vrij snel bereikt worden. Het oostelijke deel bestaat uit woningen op lobben die grenzen aan de golfbaan.

 

4.2 Bebouwingsstructuur

 

De bebouwing in het Goese meer bestaat hoofdzakelijk uit vrijstaande villa’s waarvan de meeste zijn opgebouwd uit één bouwlaag met hoge kap of twee bouwlagen met plat dak. De bouwhoogte bedraagt in beginsel maximaal 8 meter. De woningen zijn onderling sterk uiteenlopend architectonisch vormgegeven. Hierbij is veelal sprake van een uit meerdere delen samengestelde hoofdmassa, waardoor de relatief grote panden toch een enigszins kleinschalig karakter krijgen. De kapvormen zijn eveneens gevarieerd. Er is voornamelijk gebruik gemaakt van bakstenen gevels in een lichte kleur. De houten geveldelen hebben eveneens een lichte kleur. De dakvlakken zijn daarentegen meestal uitgevoerd in antracietkleurige of donkerrode dakpannen.

 

Het minimum kaveloppervlakte in het Goese Meer bedraagt 600 m2, maar er komen veelvuldig veel grotere kavels voor. Het ruimtelijk beeld is open doordat de woningen op minimaal 5 meter van zowel de voorste perceelsgrens als de zijdelingse perceelgrenzen moeten staan. De woningen zijn minimaal 8 meter breed. Aan de achterzijde is een strook langs het water van 5 tot 10 meter onbebouwd.

 

Op de golfbaan staat een clubgebouw dat een grotere maat en schaal heeft dan de woonbebouwing. Door de architectuur, de daken en de inpassing in het landschap neemt het gebouw echter een bescheiden plaats in. In aansluiting op een aantal woningen aan de zuidkant van het parkeerterrein staat op het golfterrein een gebouw voor opslag en dergelijke.

 

4.3 Verkeersstructuur

 

De hoofdontsluiting van het woongebied het Goese Meer loopt via de Houtkade en de Goese Meerlaan. Vanaf deze hoofdroute is er op diverse plaatsen een visuele relatie met het meer. Richting het noorden vormt de Krukweg een verbinding naar Wilhelminadorp. Vanaf de hoofdontsluiting ontsluiten doodlopende woonstraten de woningen. De zuidelijke en oostelijk woonlobben sluiten aan op de Goese Meerlaan. De noordwestelijke woonlobben zijn vanaf de Krukweg te bereiken.

 

De Kattendijksedijk is een recreatieve fietsroute aan de zuidzijde van het plangebied die op een tweetal plaatsen met de Houtkade en de Goese Meerlaan is verbonden.

Het parkeren vindt volledig plaats op eigen terrein. Er zijn geen openbare parkeerplaatsen in het gebied aanwezig. Incidenteel is de mogelijkheid om op de rijbaan te parkeren. Voor het parkeren voor de golfbaan is gelegenheid geboden op het eigen parkeerterrein van de golfbaan aan de Krukweg.

 

4.4 Water- en groenstructuur

 

Het woongebied Goese Meer ligt in een voormalige polder. Het gebied wordt daarom omsloten door dijken. Aan de zuidzijde bevind zich de Kattendijksedijk en aan de noordzijde is de dijk langs de Krukweg en Kattendijkseweg gelegen.

Centraal in het woongebied ligt het meer. Dit meer heeft aan de westzijde een verbinding met het kanaal. Vanuit het meer loopt het water tussen de afzonderlijke woonlobben, zodat nagenoeg alle woningen direct aan het water grenzen. Aan de westzijde wordt de wijk begrensd door het Havenkanaal, de waterverbinding van Goes naar het Goese Sas (de Oosterschelde). Aan de zuidzijde van het Goese Meer ligt een groenzone met waterpartijen langs de historische Kattendijksedijk. Deze groenzone vormt een overgang tussen het Goese Meer en de wijken Noordhoek en Mannee.

 

Aan de zuidwestzijde ligt openbaar groengebied dat een visuele afscheiding tussen het Goese Meer en het voormalige industrieterrein en in de in aanbouw zijnde de woonwijk Goese Schans vormt. Er diende bij de bouw van het Goese Meer een gebied van 125 meter vrij gehouden te worden vanwege de geluidsuitstraling van de fabriekshal van de inmiddels gesloopte Apparaten- en Ketelfabriek (AKF). Om tegemoet te komen aan bezwaren van de AKF is in der tijd besloten om een groenwal tussen het bedrijf en het woongebied aan te leggen, die het geluidsniveau zou nivelleren. Tevens zou de wal een extra gunstig visueel effect hebben. De groenwal is omstreeks 1994 aangeplant met bomen. In het kader van de ontwikkeling van de woonwijk Goese Schans is de fabriek afgebroken. Het groengebied zal in de toekomst een functie krijgen als groene buffer tussen de beide woonwijken. De inrichting en de beplanting is hierop aangepast.

 

Een groot deel van het plangebied van het bestemmingsplan Goese Meer wordt ingenomen door de golfbaan. Deze heeft een groene inrichting met veel waterpartijen en bosschages. De groenstructuur in de wijk wordt gevormd door de Goese Meerlaan, de ontsluitingsweg door de wijk heen. Deze heeft een zeer waardevolle groenstructuur die vormt gevormd door brede grasbermen en laanbomen.

Naast de Goese Meerlaan is de Krukweg is de ontsluitingsweg van de wijk aan de noord-oost zijde, ook hier vormt de boombeplanting langs de weg een waardevolle groenstructuur.

 

5 Kwaliteiten en potentiele ontwikkelingslocaties

 

Het plangebied biedt een bijzondere woonkwaliteit met vrijstaande woningen aan het water zonder doorgaand verkeer. Daarnaast vervult de golfbaan een belangrijke functie voor de wijk en Goes als geheel. In het plangebied zijn geen potentiële ontwikkelingslocaties of structurele knelpunten aanwezig. Het bestemmingsplan Goese Meer betreft uitsluitend een conserverend bestemmingsplan waarin de bestaande situatie wordt vastgelegd.

 

 
 

HOOFDSTUK 4 Visie op het plangebied

 

Uitgangspunt van voorliggende bestemmingsplan is de bestaande ruimtelijke kwaliteit te behouden en waar mogelijk ruimtelijk minder sterke situaties te verbeteren. In dit hoofdstuk wordt in de vorm van gebiedsgerichte en functionele streefbeelden, een visie op het plangebied gegeven. Voorafgaand hieraan wordt het gebied ingedeeld in deelgebieden op basis van de inventarisatie en analyse.

 

 

1 Deelgebieden

 

Het plangebied Goese Meer bestaat uit enerzijds het woongebied rondom het water en anderzijds uit de golfbaan aan de oostzijde.

 

2 Streefbeelden deelgebieden

 

In deze paragraaf wordt het streefbeeld per deelgebied voor het plangebied beschreven.

 

2.1 Streefbeeld Woongebied

 

Voor het woongebied wordt ingezet op het behoud van de bestaande woonkwaliteit en bebouwingsopzet. Dit betekent dat vastgehouden wordt aan het ruimtelijke beeld van vrijstaande woningen grenzend aan het water en/of groen zonder doorgaand verkeer. Er kunnen geen nieuwe woningen gebouwd worden. Het bestemmingsplan maakt alleen verbouwingen en uit- en aanbouwen bij de bestaande woningen mogelijk.

 

2.2 Streefbeeld golfbaan

 

Ook voor de golfbaan wordt uitgegaan van het behoud van de huidige opzet en kwaliteiten. Het grootste deel van de golfbaan is en blijft onbebouwd. De bebouwing en de parkeervoorzieningen moeten geconcentreerd blijven in een zone langs de Krukweg. Deze zone is aangegeven op de verbeelding en biedt voldoende mogelijkheden voor veranderingen en uitbreidingen van de voorzieningen van de golfbaan. Voor het realiseren van een hotelvoorziening op de golfbaan is conform het 'Omgevingsplan Zeeland 2006-2012' van provincie Zeeland een maximale bouwhoogte van 25 meter opgenomen. In het betreffende omgevingsplan is namelijk opgenomen dat landmarks in stedelijk gebied, vanwege het behoud en versterken van de beeldkwaliteit, een maximale hoogte van 25 meter mag bedragen.

 

3 Streefbeelden functies

 

 

3.1 Beroepsmatige en of bedrijfsmatige activiteiten aan huis

 

In combinatie met de woonfunctie komen regelmatig ondergeschikte andere activiteiten voor. Gedacht kan onder meer worden aan traditionele vrije beroepen (arts, notaris, advocaat, logopedist, fysiotherapeut), andere vrije beroepen (adviesbureaus, kunstenaars, ontwerpers, privéonderwijs) en andere bedrijfsmatige activiteiten (pedicures, computerservice, kinderopvang). Gezien de maatschappelijke ontwikkelingen zal dit gebruik in de toekomst alleen maar toenemen.

 

In beginsel zijn er geen bezwaren tegen het toestaan van dergelijke activiteiten. Met betrekking tot de toelaatbaarheid zal worden gelet op de hinder die het gebruik oplevert voor het woonmilieu en de afbreuk die het gebruik doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt. Activiteiten die een onevenredige hinder voor het woonmilieu en onevenredige afbreuk van het woonkarakter van de wijk of buurt veroorzaken zijn niet toegestaan. Bij de beoordeling hiervan is onder meer van belang of de woning blijft voldoen aan het Bouwbesluit, de woonfunctie primair en in ruimtelijke zin gehandhaafd blijft en er geen onevenredige nadelige invloed op de verkeersafwikkeling en parkeerbalans ontstaat. Ook wordt er een maximale oppervlaktemaat voor deze activiteiten aangehouden.

 

3.2 Streefbeeld Wonen

 

De huidige opzet van vrijstaande woningen op ruime kavels dient behouden te blijven. In dit bestemmingsplan is een minimum kaveloppervlakte van 600 m2 opgenomen. De bouwhoogte mag maximaal 9 meter bedragen en de woningen moeten minimaal 8 meter breed zijn. Om het vrijstaande karakter te waarborgen dient de afstand tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 5 meter te bedragen. Ook de afstand tot aan het openbaar gebied aan de voorzijde dient minimaal 5 meter te zijn. Aan- en uitbouwen mogen tot op 2 meter van de zijdelingse perceelsgrens gebouwd worden. Het oppervlakte aan bijgebouwen en carports mag maximaal 60 m2 bedragen.

 

Langs het water en/of de groenzones aan de achterzijde moet voor het grootste deel van het plangebied een zone van 5-10 m onbebouwd blijven. Op enkele plaatsen is deze zone slechts 3 of 5 meter diep.

 

In 2007 zijn de beleidsregels aanlegsteigers Het Goese Meer (30 augustus 2007) opgesteld, waarin de mogelijkheden voor aanlegsteigers en dergelijke aan de achterzijden van de woningen is geregeld. Dit beleid is in dit bestemmingsplan overgenomen.

 

3.3 Streefbeeld Verkeer

 

Voor het verkeer wordt uitgegaan van het behoud van de bestaande verkeersstructuur.
 

HOOFDSTUK 5 Sectorale Aspecten

 

 

1 Archeologie

 

 

1.1 Provinciaal archeologiebeleid (Nota Archeologie 2006-2012)

 

In aansluiting op het Verdrag van Valletta (Malta, 1992) is het provinciaal archeologiebeleid gericht op versterking van de relatie ruimtelijke ordening en archeologie c.q. het zo vroeg mogelijk meewegen van archeologische waarden in planvormingsprocessen. Concreet betekent dit dat de bescherming van het archeologisch erfgoed vastgelegd dient te worden en dat bij ruimtelijke afwegingen rekening gehouden wordt met eventueel aanwezige archeologische waarden. Ook in de Nota Belvedère (1999) wordt aandacht voor ons archeologische erfgoed gevraagd. Het Verdrag van Valletta gaf aanleiding tot aanpassing van de monumentenwet. Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) van kracht gegaan. Uitgangspunten van het verdrag zijn: behoud in situ, afweging van archeologische waarden zo vroeg mogelijk in het planvormingsproces en "de verstoorder betaald".

 
Het toetsingskader voor archeologie bestaat uit:
-             De Archeologische MonumentenKaart (AMK) Zeeland;
-             De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW);
-             Het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD);
-             Nationaal Archeologisch Informatiesysteem ARCHIS van de Rijksdienst voor Archeologie,

Cultuurhistorie en Monumenten (RACM)
 

In het ZAD zijn opgenomen het Provinciaal Archeologisch Depot (bodemvondsten) en het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA), waarin documentatie van vondsten en alle kennis op het gebied van de Zeeuwse archeologie is verzameld. De Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) beheert voor de provincie de AMK en het ZAD.

 
De status van de AMK en de IKAW is door Gedeputeerde Staten van Zeeland vastgesteld op 29 mei 2001. Op de AMK staat informatie van bekende archeologische waarde. Alle terreinen die op de AMK zijn aangeduid dienen op 1 januari 2009 een planologische bescherming te hebben. De IKAW geeft een overzicht van te verwachten archeologische waarden en is complementair aan de AMK. Vooral de gebieden met hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarden zijn belangrijk.
 

Omdat voor de IKAW, evenals de historische kernen van hoge archeologische waarde op de AMK, geldt dat de aanwezigheid van archeologische waarden niet overal op voorhand vaststaat en een deel van de historische informatie door (recente) verstoringen verloren gegaan is, adviseert de provincie aan gemeenten om een gedetailleerde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart te laten opstellen. Door een meer gedetailleerd historisch / archeologisch onderzoek (archieven, kaarten, vindplaatsen, studie van de rooilijn, etc.), verstoringsonderzoek en aanvullend veldonderzoek met controleboringen kan een nadere begrenzing van het terrein worden vastgesteld en kan in de historische kern een differentiatie aangebracht worden in behoudenswaardige en niet behoudenswaardige gebieden. De gemeente Goes maakt deel uit van het met 8 andere Zeeuwse gemeenten gezamenlijk te belopen traject voor het laten opstellen van gedetailleerde archeologische verwachtingskaarten, een archeologiebeleid vertaald in beleidsadvieskaarten en een digitale koppeling van deze gegevens in de bestemmingsplannen voor het gehele grondgebied van de gemeente Goes.
 

Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk wanneer:

 

1.2 Indicatieve Kaart Archeologische Waarden

 

Het overgrote deel van het bestemmingsplangebied is op de IKAW gelegen in een zone met een zeer lage verwachtingswaarde. Dit betekent dat er een lage tot zeer lage trefkans is op het aantreffen van archeologische resten met een datering tot de Late Middeleeuwen. Enkel de uiterst zuidelijke rand van het gebied wordt op de IKAW aangeduid als een zone met een middelhoge verwachtingswaarde. Dit houdt in dat er, wanneer binnen dit deel van het bestemmingsplan ontwikkelingen plaatsvinden, gezien de middelhoge kans op het aantreffen van archeologische waarden tot de Late Middeleeuwen, archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

 

1.3 Archeologische Monumentenkaart Zeeland

 

Binnen het bestemmingsplangebied worden op de AMK geen terreinen met een vastgestelde archeologische waarde weergegeven.

 

1.4 Overige informatiebronnen

 

In Archis2, de nationale database voor bekende vindplaatsen in Nederland, wordt binnen de grenzen van het bestemmingsplangebied één waarneming weergegeven. Het betreft de resten van een klein verdedigingswerk of redoute uit de Tachtigjarig Oorlog, oorspronkelijk buitendijks gelegen ten noorden van de Kattendijkse Dijk, benoorden 's Heer Elsdorp. In het ZAA wordt geen aanvullende informatie over bekende vindplaatsen binnen het huidige bestemmingsplangebied weergegeven.

 

1.5 Cultuurhistorische elementen

 

Binnen het bestemmingsplangebied worden op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zeeland geen waardevolle elementen weergegeven. Het is echter niet uitgesloten dat zich binnen het van onderzoek vrijgestelde deel van het bestemmingsplangebied thans nog onbekende archeologische resten bevinden. Voor eventuele vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex artikel 53 van de Monumentenwet. De gemeente zal (bijvoorbeeld in het bestek) de initiatiefnemers en/of de aannemer(s) verplichten om bij de uit te voeren sloop,- sanerings- en graafwerkzaamheden attent te zijn op eventuele archeologische vondsten tijdens de werkzaamheden. Dergelijke vondsten dienen onverwijld te worden gemeld bij de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) te Middelburg of bij gemeente, die op haar beurt de melding doorgeeft aan de SCEZ.

 

2 Bodemverontreiniging

 

 

De algemene bodemkwaliteit van het gebied is vastgelegd in de “Bodemkwaliteitskaart Stedelijk gebied Gemeente Goes” van 22 mei 2008. Van kleine delen aan de randen van het gebied is de algemene bodemkwaliteit vastgelegd in de “Bodemkwaliteitskaart Gemeente Kapelle en buitengebieden Gemeentes, Goes, Reimerswaal en Noord-Beveland”, versie van 22 mei 2008. In het “Bodembeheerplan buitengebied en stedelijk gebied Gemeente Goes in het kader van de Vrijstellingsregeling Grondverzet”, versie 22 mei 2008 zijn regels vastgelegd voor grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaarten.

 

Voor enkele wegbermen binnen het gebied geldt de “Bodemkwaliteitskaart en bodembeheersplan voor wegbermen in de provincie Zeeland” van 22 november 2005. Alle bodemkwaliteitskaarten zijn op 5 juni 2008 opnieuw vastgesteld. De maximale geldigheid bedraagt 5 jaar.

 

Het plangebied was in het verleden in gebruik als landbouwgrond. Omstreeks 1960 en 1970 waren er aan de zuidzijde van het gebied boomgaarden aanwezig, waardoor daar een verhoogde kans op het voorkomen van bestrijdingsmiddelen aanwezig is. Dergelijke verontreinigingen worden voornamelijk in de bovengrond aangetroffen. Zeer waarschijnlijk is de bovengrond bij het bouwrijp maken vergraven, waardoor mogelijk vermenging met andere grond heeft plaats gevonden.

 

Voorafgaand aan het bouwrijp maken c.q. herinrichten van het gehele plangebied is in 1991 het gebied onderzocht, waarbij verspreid door het gebied de plaatselijke bodemkwaliteit is vastgesteld.

Na het bouwrijp maken zijn incidenteel onderzoeken uitgevoerd ter plaatse van nieuwe bouwwerken.

 

Het gebied is in de Bodemkwaliteitskaart Stedelijk Gebied grotendeels ingedeeld bij de “Naoorlogse wijken A”. De voorwaarden voor grondverplaatsingen staan vermeld in de bodembeheersplannen.

 

De nu beschikbare onderzoeksgegevens zijn te gedateerd en voldoen niet meer aan de huidige onderzoeksnormen. Zodra zich ontwikkelingen voordoen waarbij de bodem betrokken is, zullen daarom op locatieniveau bodemonderzoek en /of –saneringsmaatregelen uitgevoerd dienen te worden. Dit doet zich voor bij bijvoorbeeld nieuw- en verbouwontwikkelingen of civieltechnische werkzaamheden.

 

3 Water

 

 

Per 1 november 2003 is door een wijziging van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (BRO) een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Het is één van de instrumenten om het waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven.

 

De Provincie Zeeland heeft onder andere samen met de waterschappen het Omgevingsplan Zeeland opgesteld. Hierin is het Rijksbeleid doorvertaald en uitgewerkt. Gestreefd wordt naar duurzame waterssystemen in Zeeland. Eén van de middelen hiervoor is de waterkansenkaart.

De Gemeente Goes heeft samen met de Provincie Zeeland en waterschap Zeeuwse Eilanden het Waterplan Goes 2005-2010 opgesteld. Hierin wordt evenals in het Omgevingsplan Zeeland gestreefd naar duurzame watersystemen. Dit zijn watersystemen die nu en in de toekomst de afgesproken functies kunnen vervullen en daarbij voldoen aan de eisen.

 

3.1 Bestaand watersysteem

 

3.1.1 Algemeen

Het betreffende gebied kan omschreven worden als een woonwijk in het hoge segment. Hierin zijn begin jaren negentig grote vrijstaande woningen gebouwd met een sterke relatie met het water dat een centrale rol vervult in de wijk. Het oostelijke deel van de wijk is ingevuld als golfbaan.

 

3.1.2 Waterkansenkaart

De Waterkansenkaart is een samenstelling van verschillende themakaarten over een aantal belangrijke onderdelen. Voor de belangrijke thema’s geeft de waterkansenkaart de volgende uitkomsten:

 

Samenvattend kan op basis van de waterkansenkaart gesteld worden dat dit plangebied door de ligging ten Noorden van de Kattendijksedijk op het vlak van water een zeer positieve uitzondering is in vergelijking met de overige wijken van Goes. Het gehele plangebied is dan ook zeer geschikt voor uitbreidingen.

 

3.1.3 Bodem

De bodemkaart van Nederland, zoals die beheerd wordt door Alterra Universiteit Wageningen, geeft dat het gebied ten dele bestaat uit ‘zavel met homogeen profiel’. Een groot deel is aangeduid als ‘klei op grof zand’. De zavel wordt getypeerd als kalkrijke poldervaaggronden (Mn25A, profielverloop 5). De gebieden aangeduid als klei op grof zand kennen dezelfde typering, echter wel met een andere codering (Mn22A, profielverloop 2).

 

3.1.4 Grondwater

De bodemkaart geeft bij de bodemtypering de grondwatertrap VI, met een gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 0.40 en 0.80 m beneden maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand is dieper dan 1.20 m beneden maaiveld.

 

3.1.5 Waterhuishouding

Het plangebied wordt gedeeld door een binnendijk die noord-zuid door de golfbaan loopt. Oostelijk van deze scheiding maakt het gebied onderdeel uit van het bemalingsgebied van gemaal Dekker ten oosten van Kattendijke. Het grootste deel van het plangebied, westelijk van de binnendijk watert af door de open verbinding tussen het Goese Meer en het kanaal naar de Oosterschelde.

Door deze scheiding en door het toepassen van een aantal stuwen kent het gebied verschillende peilen. Als basis geldt het meer zelf dat op 1.30+ NAP gehouden wordt. De zuidelijke grens ten westen van de binnendijk kent een peil van 0.90- NAP. Dit peil wordt apart beheerd met het gemaal dat het surplus aan water uit deze sloot afpompt naar het kanaal. De sloot aan de noordzijde van het plangebied, langs de Krukweg, wordt ook met een gemaal onafhankelijk van het omringende gebied gehandhaafd op 0.45- NAP. Oostelijk van de binnendijk wordt met een stuwende constructie naar het aangrenzende polderland een zomerpeil gehanteerd van 0.60- NAP. Als enig deel van het plangebied kent dit deel een afwijkend winterpeil van 0.80- NAP. De sloot die langs de golfbaan aan de teen van de Kattendijksedijk ligt gaat met hetzelfde peilbeheer mee maar maakt direct onderdeel uit van het watersysteem van de naastgelegen polder.

 

In het stedelijk waterplan Goes 2005-2010 is een globale berekening uit de deelstroomgebiedsvisie Zeeland opgenomen. Hieruit is in tabel 3.2 van het waterplan voor de kern Goes opgenomen dat er aanvullend 16.9 ha open water aangelegd moet worden. Hiermee moet voorkomen worden dat bij een langere periode van extreem veel neerslag inundatie vanuit het oppervlaktewater optreedt. In het Nationaal Bestuursakkoord Water is landelijk vastgesteld dat dit 1/100 jaar op kan treden. Op basis van het stedelijk waterplan is er al voor gekozen dat deze aanvullende berging ten zuiden en ten westen van de stad gevonden zal gaan worden. Ook aan de noordgrens van de nieuwe wijk Mannee, direct ten zuiden van de Kattendijkse dijk is aanvullende waterbering gerealiseerd. Voor het plangebied zijn er geen wensen om nog meer open water aan te leggen.

 

3.1.6 Waterkwaliteit en ecologie

Met het waterplan proberen het waterschap en de gemeente een visie op te stellen voor het waterbeheer. Een belangrijk kader hierbij is de Europese Kaderrichtlijn Water. In het waterplan zijn specifiek voor dit plangebied geen aandachtspunten voor de waterkwaliteit opgenomen. Er is geconcludeerd dat het Goese Meer, net als het kanaal waarmee het in verbinding staat, zout is. Doordat in het gebied weinig kwel optreedt blijven ook de bijbehorende problemen door een aanbod van veel fosfaten uit. Algemeen wordt gesteld dat de waterkwaliteit in het meer goed is. Hierdoor heeft het meer een waardevolle ecologie, hetgeen blijkt uit de vogels en vissen die hier goed gedijen.

 

De Kattendijksedijk is in het Waterplan opgenomen als ‘overig gewenste ecologische verbindingszone’. Dit valt samen met de aanduiding als bestaande natuur.

 

3.1.7 Hoogteligging

De wijk is destijds bij de aanleg sterk verhoogd aangelegd door gebruik te maken van een deel van de uitkomende grond uit het gegraven Goese Meer. Hierdoor liggen de laagste woonstraten op ca. 2.30+ NAP. Alleen de Kokkelweg en de Kreekslagweg, die aan de zuidrand van het gebied aan de Kattendijksedijk liggen hebben een maaiveld van ca. 1.90+ NAP. De golfbaan is ten oosten van de binnendijk qua maaiveld ongeveer op het oude peil gehouden, ca. 1.00+ NAP.

 

3.1.8 Riolering

Het gehele gebied is bij de aanleg uitgevoerd als verbeterd gescheiden. Dit houdt in dat neerslag die van verharde terreinen afstroomt apart van het huishoudelijk afvalwater ingezameld wordt. Hiertoe liggen er 2 stelsels in de wijk. De ‘first flush’ die het grootste deel van straatvuil en slib uit het rioolstelsel bevat kan middels een aantal koppelleidingen met een gelimiteerde capaciteit afstromen naar het stelsel voor het vuilwater. De overige neerslag wordt rechtstreeks afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afvalwater wordt door een stelsel van onderbemalingen met een gezamenlijke persleiding afgevoerd naar het vrijvervalstelsel in de Houtkade.

 

3.1.9 Waterkering

Het plangebied kent meerdere binnendijken, die in het omgevingsplan van de Provincie Zeeland aangeduid zijn als ‘regionale kering met waterstaatkundige functie’. Aan de zuidgrens van het plangebied is dat de Kattendijksedijk. De kering aan de noordzijde is verbonden met de Kattendijksedijk doordat de kering van noord naar zuid centraal door de golfbaan ligt. Deze keringen worden beschermd door een keurzonering.

 

3.2 Toekomstig watersysteem

 

3.2.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is consoliderend van aard. Er zijn geen knelpunten bekend waarvoor nu al oplossingsrichtingen in het bestemmingsplan opgenomen moeten worden.

 

3.2.2 Wateradvies

P.M.

 

4 Flora en Fauna

 

 

De natuurwetgeving in Nederland kent twee sporen: de flora en faunawet en de natuurbeschermingswet 1998.

 

4.1 Flora en Faunawet

 

De Flora- en faunawet geldt voor de soortenbescherming. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient vooraf onderzoek gedaan te worden naar de aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren. Indien voorgenomen ingreep, naar verwachting, leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, zal moeten worden nagegaan of een vrijstelling geldt of dat ontheffing ex artikel 75 van de Flora- en Faunawet moet worden verkregen.

 
 

4.2 De natuurbeschermingswet 1998

 

Naast de soortenbescherming dient rekening gehouden te worden met eventuele effecten op beschermde natuurgebieden, hiervoor geldt de Natuurbeschermingswet.

 

De natuurbeschermingswet 1998 vormt de invulling van de gebiedsbescherming van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (gezamenlijk natura 2000 gebieden) em heeft als doel het beschermen en instandhouden van bijzondere gebieden in Nederland.

 

4.3 Groen en waterstructuur

 

Water is in de woonwijk het Goese Meer een zeer belangrijk element. De gehele wijk is aan het water gelegen. De centrale waterpartij is het bindende element is deze wijk. Het grootste gedeelte van alle kavels heeft een aansluiting met het water. Aan de westzijde wordt de wijk begrensd door het Havenkanaal, de waterverbinding van Goes naar het Goese Sas (de Oosterschelde). De groenstructuur in de wijk wordt gevormd door de Goese Meerlaan, de ontsluitingsweg door de wijk heen. Deze heeft een zeer waardevolle groenstructuur die vormt gevormd door brede grasbermen en laanbomen. Naast de Goese Meerlaan is de Krukweg is de ontsluitingsweg van de wijk aan de noord-oost zijde, ook hier vormt de boombeplanting langs de weg een waardevolle groenstructuur.

 

4.4 Landschap

 

Aan de andere kant van de Krukweg ligt het open polder landschap. Het Goese Meer en ook de naastgelegen golfbaan waren voorheen een deel van dit open polderlandschap.

De woonwijk het Goese Meer is ruimtelijk gezien een wijk die naar binnen is gericht en eigenlijk als een vrij geïsoleerd gebied in de omgeving ligt. De wijk vormt geen aansluiting met de aangrenzende omgeving.

 

De begrenzing aan de zuidzijde van de woonwijk wordt gevormd door een bredere groene zone die aansluit op de Kattendijksedijk. Deze strook bestaat uit water en struweel en wordt ecologische onderhouden. De Kattendijkse dijk is onderdeel van de provinciale Ecologische Hoofdstructuur en heeft hierdoor een beschermde status.

 

5 Geluidshinder

 

 

Op grond van artikel 76, lid 1, dienen bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan binnen de zone van een weg de normen van de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. Artikel 77 stelt dat in deze gevallen akoestisch onderzoek moet worden verricht. In lid 3 van artikel 76 worden aanwezige en in aanbouw zijnde woningen binnen de zones van aanwezige of in aanleg zijnde wegen hiervan uitgezonderd.

 

Voor een beheersplan, zoals dat voor het Goese Meer, dat niet de mogelijkheid biedt tot het bouwen van nieuwe woningen (of andere geluidsgevoelige bestemmingen) of het aanleggen van nieuwe wegen blijven de normen van de Wet geluidhinder daarom buiten toepassing en behoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht.

 

6 Luchtkwaliteit

 

 

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Hierdoor zijn overheden bij besluiten, waarbij het aspect luchtkwaliteit aan de orde is, verplicht de grenswaarden, genoemd in de Wet luchtkwaliteit, in acht te nemen ten aanzien van voor luchtverontreiniging gevoelige bestemmingen. Voor zover deze verplichting niet geldt (de luchtkwaliteit verslechtert niet in betekenende mate, er worden geen normen van de Wet luchtkwaliteit overschreden) kan een dergelijk onderzoek nabij drukke verkeerswegen gewenst zijn in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

Het beheersplan Goese Meer voorziet echter in het geheel niet in de mogelijkheid tot het bouwen van nieuwe woningen, het aanleggen van nieuwe wegen of het realiseren van nieuwe of uitbreiden van bestaande bedrijven of andere bestemmingen die leiden tot de uitstoot van luchtverontreinigende componenten. Het vaststellen van dit plan heeft daarom geen gevolgen voor de luchtkwaliteit, zodat een onderzoek naar de luchtkwaliteit en een toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit achterwege kan blijven.

 

7 Overige milieuhinder en bedrijvenlijst

 

 

Binnen het gebied van het beheersplan Goese Meer bevinden zich behalve woningen, wegen en water slechts één andere bestemming (golfbaan). Het ligt voor de hand deze activiteit als zodanig te bestemmen. Een staat van inrichtingen kan dan achterwege blijven. Het reguleren van mogelijke negatieve milieu-uitstraling van dit bedrijf en van bestaande bedrijven in de omgeving van het Goese Meer is geregeld binnen de kader van de Wet milieubeheer en speelt geen rol bij een beheersplan dat geen mogelijkheid biedt tot het realiseren van milieugevoelige of milieubelastende bestemmingen.

 

8 Externe veiligheid

 

 

In ruimtelijke projecten dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

- Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water of door leidingen;

- Bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt of waar zich installaties bevinden waaraan risico’s zijn verbonden waardoor effecten van ongevallen buiten het terrein van de inrichting merkbaar zijn.

 

8.1 Vervoer gevaarlijke stoffen

 

8.1.1 Inleiding en Wetgeving

De wettelijke regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen ligt vast in de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (WVGS), het Reglement Vervoer over de Spoorweg van Gevaarlijke Stoffen (VSG), het Reglement Vervoer over Land van Gevaarlijke stoffen (VLG) en het Reglement Vervoer over de Binnenwateren van Gevaarlijke stoffen (VBG). De beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen dient plaats te vinden aan de hand van de nota “Risico-normering vervoer gevaarlijke stoffen, 2e kamer 1995-1996”, de handreiking “Externe veiligheid vervoer gevaarlijke stoffen, VNG 1998” en de circulaire “Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, Min V&W 2004”. Bij buisleidingen dient rekening gehouden te worden met een bebouwingsafstand en een toetsingsafstand. Het streven dient erop gericht te zijn dat er binnen de toetsingsafstand geen woonbebouwing of bijzondere objecten worden gerealiseerd.

 

8.2 Inventarisatie transportroutes

 

8.2.1 Spoorlijnen

Spoorlijnen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn in of in de directe omgeving van het plangebied niet aanwezig.

 

8.2.2 Wegen

Wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn in of in de directe omgeving van het plangebied niet aanwezig.

 

8.2.3 Waterwegen

Waterwegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn in of in de directe omgeving van het plangebied niet aanwezig.

 
 

8.2.4 Buisleidingen

Buisleidingen waarin vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn in of in de directe omgeving van het plangebied niet aanwezig.

 

8.3 Bedrijven

 

8.3.1 Inleiding en wetgeving

 

BRZO Bedrijven

In het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO 1999) staan criteria die aangeven welke bedrijven zoveel gevaarlijke stoffen hebben, dat er een risico van een zwaar ongeval bestaat. Voor deze bedrijven gelden (nog) strengere regels dan normaal. Er wordt binnen de groep BRZO-bedrijven nog onderscheid gemaakt tussen een zware en een lichtere categorie. De lichtere categorie wordt ook wel PBZO (preventiebeleid zware ongevallen) –bedrijven genoemd, omdat ze een preventiebeleid moeten hebben en een veiligheidsbeheersysteem (VBS). Voor bedrijven van de zware categorie geldt dit ook, maar deze moeten tevens een risicoanalyse uitvoeren en een veiligheidsrapport (VR) opstellen. Die bedrijven worden daarom ook wel VR(plichtige)-bedrijven genoemd.

 

 

Bevi

Het Besluit van 27 mei 2004, houdende milieukwaliteiteisen voor externe veiligheid van inrichtingen milieubeheer (Besluit externe veiligheid inrichtingen) is in werking getreden per 27 oktober 2004.

Doel van dit besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen beperken tot een aanvaardbaar minimum.

Conform artikel 5 van het Bevi moeten de (nieuwe) grenswaarden/richtwaarden worden toegepast bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige (op grond van de Wm) risicovolle bedrijven en de nabijgelegen gevoelige objecten.

 

Inventarisatie inrichtingen

In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen BRZO en/of Bevi bedrijven gelegen.

 

 

8.4 Conclusie

 

Op basis van het verrichte onderzoek wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

 

 
 

HOOFDSTUK 6 Juridische vormgeving

 

 

1 Planvorm

 

Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten gebouwen. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Het bestemmingsplan Goese Meer kan gekarakteriseerd worden als een zogenaamd 'beheersplan'. In een dergelijk plan ligt het accent van de juridische regeling vooral op het bieden van rechtsbescherming ten aanzien van het bestaand gebruik van gronden en opstallen. Er is sprake van een gedetailleerd plan, waarin de bestaande situatie grotendeels behouden blijft en waar rekening is gehouden met de nodige flexibiliteit door binnen een aantal bestemmingen meerdere functies toe te staan. Een en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een beperkt aantal bestemmingen, een eenvoudig kaartbeeld en een uniforme opzet van de bouwbepalingen. Alle bestaande functies (wonen, werken, verkeer, recreëren, etc.) worden gerespecteerd; ingrijpende functieveranderingen zijn niet voorzien. Het plan biedt wel de mogelijkheid om op een flexibele wijze op mogelijke functieveranderingen en veranderende woonbehoeften in te spelen. In het plan zijn hiertoe verschillende wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen.

 

De regels zijn opgebouwd uit de inleidende regels (Hoofdstuk 1) de bestemmingsregels (Hoofdstuk 2), de algemene regels (Hoofdstuk 3) en de overgangs- en slotbepalingen (Hoofdstuk 4). De verbeelding van het bestemmingsplan Het Goese Meer bestaat uit 1 kaartblad.

 

2 Toelichting op de bestemmingen

 

 

2.1 Inleidende regels

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis.

 

Artikel 2 Wijze van meten

In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

 

 
 

2.2 Bestemmingsregels

 

Artikel 3 Groen

De stroken rondom het plangebied hebben de bestemming “Groen”. Binnen deze bestemming zijn niet voor bewoning bestemde gebouwen (bijvoorbeeld transformatorhuisjes) en bouwwerken geen gebouwen zijnde (bijvoorbeeld speelvoorzieningen) en masten toegestaan. De bouwbepalingen zijn met name gericht op de maximaal toegestane hoogtematen. De oppervlakte van gebouwen mag maximaal 15 m² bedragen. Tevens mogen binnen deze bestemming groenvoorzieningen, waterpartijen, parkeervoorzieningen, wandel- en fietspaden worden gerealiseerd. Daar waar op de verbeelding de functieaanduiding “ontsluiting” (o) is aangegeven, is een auto- ontsluiting mogelijk.
 

Artikel 4 Recreatie

Het oostelijke deel van het plangebied waar de Goese Golf is gelegen, heeft de bestemming “Recreatie”. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor recreatieve doeleinden met de golfsport als hoofdfunctie. Ook dienstbare parkeer- speel en -groenvoorzieningen met inbegrip van de in het kader van de bestemming noodzakelijke gebouwen waaronder de societeits- daghoreca hotelvoorziening, bouwwerken geen gebouwen zijnde en niet voor bewoning bestemde gebouwen zijn op deze gronden toegestaan. Aan deze gebouwen zijn bouwregels verbonden.
 

Artikel 5 Tuin

Daar waar de bestemming “Tuin” is opgenomen geldt dat deze gronden bestemd zijn voor voortuinen en zijtuinen, geen erven zijnde, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. In de bestemmingsregels zijn de bouwregels aangaande deze bestemming opgenomen.

 

Artikel 6 Verkeer

De wegen en (fiets)-paden binnen het plangebied hebben de bestemming "Verkeer". Deze gronden zijn bestemd voor verkeersvoorzieningen zoals wegen, parkeerstroken, rijwiel- en voetpaden, alsmede voor de daarbij behorende bermen, groenstroken, waterpartijen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en niet voor bewoning bestemde gebouwen. Voor deze gebouwen zijn in de bouwregels bepalingen opgenomen over de hoogten.

 

Artikel 7 Water

Het plangebied bestaat voor een groot deel uit water. Deze gronden hebben de bestemming “Water” waarbinnen waterpartijen, watervlakten, watergangen en singels met inbegrip van de bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde en niet voor bewoning bestemde gebouwen mogelijk zijn. Daar waar op de verbeelding de functieaanduiding “aanlegsteiger” (as) is aangegeven, zijn de in deze bestemming begrepen gronden mede bestemd voor aanlegsteigers.

 

Artikel 8 Wonen

De voor “Wonen” bestemde gronden zijn bestemd voor vrijstaand woningen met de daarbijbehorende aan- of uitbouwen, bijgebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde alsmede erven en ondergrondse parkeervoorzieningen. Daar waar op de verbeelding de functieaanduiding “aanlegsteiger” (as) is aangegeven, zijn de in deze bestemming begrepen gronden mede bestemd voor aanlegsteigers. In de bestemmingsregels zijn de bouwregels aangaande deze bestemming opgenomen.

 

Artikel 9 Waarde- Natuur en landschap

De op de verbeelding voor “Waarde – Natuur en landschap” aangewezen gronden zijn mede bestemd voor: het behoud en de bescherming van de ter plaatse aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarden.

 

 

 

 

 

 

Artikel 10 Waterstaat- Waterstaatkundige functie

Daar waar op de verbeelding gronden zijn aangewezen voor “Waterhuishouding” zijn de gronden bestemd voor waterkering, waterbeheersing, kaden, dijksloten, sloten, watergangen en singels, opslag en onderhoud ten behoeve van vaar- en waterwegen, wegen, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen, alsmede voor havens en sluizen ten dienste van de scheepvaart, de waterstaat, de landbouw. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

 

2.3 Algemene regels

 

Artikel 11 Antidubbeltelbepaling

Het doel van deze bepaling is om te voorkomen dat, wanneer volgens het bestemmingsplan

bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van het bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waarvan een soortgelijke eis wordt gesteld.

 

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

In dit artikel zijn (verbods)bepalingen opgenomen over het gebruik van in dit plan begrepen gronden.

 

Artikel 13 Algemene ontheffingsregels

In artikel 14 zijn een aantal algemene ontheffingsbepalingen opgenomen. Deze ontheffingen betreffen het overschrijden van bebouwingsgrenzen, geringe afwijkingen van het bestemmingsplan en een ontheffing voor het oprichten van antennes en masten.

 

Artikel 14 Algemene wijzigingsregels

In artikel 15 zijn algemene wijzigingsbevoegdheden van burgemeester en wethouders opgenomen om nutsgebouwtjes te kunnen bouwen, voor het overschrijden van bebouwingsgrenzen en om geringe afwijkingen te kunnen laten plaatsvinden.

 

Artikel 15 Algemene procedureregels

Dit artikel bevat de procedureregels welke gelden bij de voorbereiding van een besluit tot

ontheffing.

 

Artikel 16 Overgangsrecht

Dit artikel betreft de overgangsbepalingen met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot.

 

Artikel 17 Slotregel

De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan

“Goese Meer”.

 

 

 
 

HOOFDSTUK 7 Handhaving

 

 

1 Inleiding

 

De gemeenteraad heeft tot taak bestemmingsplannen vast te stellen voor het grondgebied van de gemeente. In elk bestemmingsplan wordt het door de gemeente gewenste ruimtelijke beleid voor een bepaald gebied vertaald. Een nieuw bestemmingsplan legt de bestaande ruimtelijke kaders vast en bepaalt de grenzen waarbinnen planologische ontwikkelingen mogelijk zijn. Het biedt de gemeente een actueel beleidsmatig en juridisch toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven in een specifiek gebied.

Om de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde leefomgeving te behouden en te verbeteren, is het noodzakelijk dat na het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan ook zorg gedragen wordt voor de handhaving daarvan. Het uitblijven van handhavend optreden tegen de overtreding van regels die in een bestemmingsplan worden gesteld aan de bebouwing en inrichting van gronden, leidt tot rechtsongelijkheid en vermindert het vertrouwen van de burger in het gemeentebestuur.

 

2 Handhaving bestemmingsplannen

 

Onder handhaving wordt verstaan het nemen van maatregelen om de naleving van wettelijke voorschriften te bevorderen. Handhaving betreft dus niet alleen het daadwerkelijk repressief optreden tegen overtreders met behulp van sanctiemiddelen. Daaraan voorafgaand is het gewenst dat er heldere en hanteerbare regels zijn, het verschaffen van inzicht in die regels - zodat een ieder het vanzelfsprekend acht zich aan de gestelde norm te houden - en het houden van toezicht op de naleving ervan. Een eerste vereiste voor een goede handhaving is derhalve een bestemmingsplan met handhaafbare regels. Dat wil zeggen regels die zodanig zijn opgesteld dat deze in de toetsingspraktijk goed hanteerbaar zijn.

Voorlichting en preventief optreden vormen de basis voor een effectief handhavingsbeleid. Een goede informatievoorziening draagt bij aan een verbetering van de naleving van bestemmingsplannen. Hoewel sanctionering in de meest optimale situatie niet nodig zou moeten zijn, zullen zich in de praktijk altijd gevallen voordoen waarin achteraf opgetreden moet worden tegen illegale situaties. In veel gevallen besluit het college van burgemeester en wethouders een overtreding gedwongen te laten beëindigen en daartoe zonodig wettelijke dwangmiddelen te gebruiken, zoals het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.

 

3 Handhavingsbeleid

 

De doelstelling van handhaving is het bereiken van goede naleving van wettelijke regels. Handhaving is een beginselplicht, welke door middel van het voeren van een transparant beleid ingezet moet worden als instrument voor de naleving van de regels, om hiermee een leefbare en veilige woonomgeving te garanderen voor de inwoners van de gemeente. Het bureau Toezicht en Handhaving van de afdeling Vergunningen en Handhaving is, namens het college, belast met het toezicht op de naleving van onder meer de ruimtelijke regelgeving. Deze taak wordt zo veel mogelijk consistent en stelselmatig uitgevoerd, zodat aan de beginselen van behoorlijk bestuur zoals rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en zorgvuldigheid kan worden voldaan. Daarvoor is het nodig handhavingsbeleid vast te stellen.

Het handhavingsbeleid is, zoals vele andersoortige beleidsvelden, altijd in beweging. Met behulp van monitoring wordt periodiek geëvalueerd en wordt zonodig het beleid bijgesteld. Het Goese handhavingsbeleid kent een planning&control-cyclus van 4 jaar, waarbij jaarlijks een handhavingsuitvoeringsprogramma wordt vastgesteld. In juni van 2008 heeft het gemeentebestuur van Goes het meest recente handhavingsbeleid, de nota integraal handhavingsbeleid 2008-2012, vastgesteld. De beginselen van deze nota zijn nader uitgewerkt in de Uitvoeringsnota handhaving 2008-2012. Het recent vastgestelde handhavingsbeleid is erop gericht om zo veel mogelijk integraal te handhaven.

In het handhavingsbeleid wordt richting gegeven aan de handhavingsprioriteiten. Een bestuursorgaan kan nu eenmaal niet altijd en overal toezichthouden waardoor er prioriteiten worden gesteld. Om de prioriteiten te bepalen is uitgegaan van risico's. Hiervoor is per aandachtsveld een risico-aspect benoemd, waaraan een wegingsfactor is gekoppeld. De volgende tabel laat dit zien:

 

Risico-aspect

Weging (%)

(Fysieke) Veiligheid

25%

Gezondheid

21%

Kwaliteit (leefomgeving)

18%

Bestuurlijk imago

16%

Financieel economische schade

11%

Natuur

9%

Tabel: wegingsfactoren van risico-aspecten

 

Naast bovenstaande is een scorelijst ontworpen waarin risico-scores worden toegekend (variërend van 1 – 5) per handhavingstaak (Risico = negatief effect x kans dat zich het effect zal voordoen). Vervolgens zijn voorgenoemde wegingsfactoren hierin doorgerekend waarna een uiteindelijke prioriteitenlijst is vastgesteld. In de Uitvoeringsnota integrale handhaving 2008 – 2012 is per kleurspoor aangegeven hoe de prioritering gestalte krijgt en in het jaarlijkse Handhavingsuitvoeringsprogramma wordt dit planmatig vormgegeven. Het houden van toezicht op illegale bouw en strijdigheid met bestemmingsplannen scoort dusdanig dat de prioriteit gemiddeld tot hoog genoemd kan worden. Wanneer een aspect een lage prioriteit heeft, betekent dit overigens niet dat de regel overtreden mag worden. De beginselplicht tot handhaving is onverkort van kracht. Er zal dus altijd serieus met constateringen en klachten worden omgegaan, ook al is de prioriteit van desbetreffende overtreden norm laag.

 

4 Oplegging sancties

 

 

Wanneer een overtreding niet vrijwillig wordt beëindigd, wordt doorgaans gekozen voor het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom om een overtreder te dwingen een illegale situatie te beëindigen. Deze bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen hebben een reparatoir karakter en zijn met vele juridische waarborgen omkleed. Omdat een overtreding van het bestemmingsplan in de Wet op de economische delicten is aangemerkt als een economisch delict, is ook strafrechtelijke handhaving een optie. Privaatrechtelijke handhaving is minder geschikt. Tot het gedogen van overtredingen wordt slechts in uitzonderlijke gevallen overgegaan, bijvoorbeeld wanneer in redelijkheid niet meer voldaan kan worden aan de geldende regels en aanpassing van de regelgeving aan gewijzigde beleidsinzichten nog niet heeft plaatsgevonden.

 
 

HOOFDSTUK 8 Economische uitvoerbaarheid

 

Onderhavig plan betreft een conserverend bestemmingsplan voor een bestaande situatie en voorziet niet in uit te voeren werken of werkzaamheden. Het bestemmingsplan is daarmee economisch uitvoerbaar. Om die reden is het opstellen van een exploitatie achterwege gelaten. De financiële betrokkenheid van de gemeente zal bij mogelijke investeringen per geval worden afgewogen. Bij die percelen waarvoor een wijzigings- danwel ontheffing is opgenomen, zal medewerking slechts worden verleend nadat de financiële haalbaarheid hiervan bij dat concrete verzoek vooraf is aangetoond.

 

 
 

HOOFDSTUK 9 Maatschappelijke toetsing en overleg

 

De gemeente betrekt de bevolking bij de voorbereiding van plannen op ruimtelijk gebied. Het ontwerp van het bestemmingsplan zal in verband daarmee gedurende zes weken op het gemeentesecretariaat ter inzage liggen. Gedurende deze termijn kunnen door een ieder zowel mondelinge als schriftelijke zienswijzen naar voren worden gebracht.

 

Voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure is eveneens inspraak opgezet. Het voorontwerp bestemmingsplan zal gedurende 4 weken ter inzage worden gelegd.

 
 

HOOFDSTUK 10 Bijlagen

 

- Advies archeologie Bestemmingsplan Goese Meer, Stichting cultureel erfgoed Zeeland d.d. 27 juli 2010