Regels

 

Behorende bij het bestemmingsplan ‘Goese Meer’.

 

 
 

HOOFDSTUK 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

 

 

In deze regels wordt verstaan onder:

 

  1. Het plan: het Bestemmingsplan Goese Meer van de gemeente Goes;
     

  2. Bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0664.BPGN03-VO99`met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen*);
     

  3. Aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de Regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en / of het bebouwen van deze gronden;
     

  4. Aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
     

  5. Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde prostitutie, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet-publieksaantrekkend zijn en die door een bewoner op kleine schaal in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft, die in overeenstemming is met de woonfunctie, bed & breakfast daaronder begrepen;
     

  6. Bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk, met een dak;
     

  7. Achtergevel: de naar het bijbehorende erf gekeerde meest achterwaarts gelegen gevel van een gebouw, een aan- of uitbouw inbegrepen;
     

  8. Ander bouwwerk: een bouwwerk, geen gebouw zijnde;
     

  9. Antennemast: een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbijbehorende bevestigingsconstructie;
     

  10. Architectonische waarde: de aan een gebouw toegekende waarde gekenmerkt door de opbouw en/of indeling van de buitengevel, de dakopbouw en het materiaal en/of kleurgebruik, eventueel in samenhang met de omgeving;
     

  11. Balkon: open uitbouw aan een verdieping van een gebouw, voorzien van een balustrade en toegankelijk vanuit dat gebouw;
     

  12. Bebouwing: één of meer gebouwen en / of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
     

  13. Bedrijfsmatige exploitatie: het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van de exploitatie en het beheer van een complex voor verblijfsrecreatie, gericht op het als onderneming aan meerdere, steeds wisselende, personen per jaar aanbieden van recreatief verblijf;
     

  14. Bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen: afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet;
     

  15. Bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak;
     

  16. Bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
     

  17. Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
     

  18. Bouwgrens: de grens van een bouwvlak;
     

  19. Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten (bouwvlak plus erf);
     

  20. Bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel;
     

  21. Bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
     

  22. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
     

  23. Cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied;
     

  24. Deskundige: een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening;
     

  25. Dienstverlening: het bedrijfsmatig verlenen van diensten, zoals reisbureaus, kapsalons, wasserettes, autorijscholen en videotheken;
     

  26. Erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;
     

  27. Erker: een uitgebouwd venster;
     

  28. Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
     

  29. Hoofdgebouw: egebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
     

  30. Horecabedrijf: een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten

a. het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken;

b. het exploiteren van zaalaccommodatie;

c. het verstrekken van nachtverblijf.
 

  1. Landschappelijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur;
     
     

  2. Maatschappelijke voorzieningen: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel ten dienste van deze voorzieningen;
     

  3. Natuurwetenschappelijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang;
     

  4. Nutsvoorzieningen (voorzieningen ten behoeve van openbaar nut): voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, duikers, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, etc.;
     

  5. Overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak;

 

  1. Passend in het straat- en bebouwingsbeeld:
    a. een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;
    b. een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling;
    c. een samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is;
    d. de cultuurhistorische samenhang in de omgeving;
     

  2. Peil: de gemiddelde hoogte van de gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde omringende grond. Bij ligging in het water: de gemiddelde hoogte van de aangrenzende oevers;

 

  1. Staat van Horeca-activiteiten: de Staat van Horeca-activiteiten die deel uitmaakt van deze regels;
     

  2. Stedenbouwkundige: een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen inzake stedenbouw;
     

  3. Voorgevelrooilijn: denkbeeldige dan wel op de verbeelding aangegeven lijn die strak loopt langs de voorgevel van een hoofdgebouw tot aan de perceelsgrenzen;
     

  4. Voorgevel van een hoofdgebouw: het naar de wegzijde gekeerde deel van een hoofdgebouw; indien meerdere delen van het hoofdgebouw naar de weg gekeerd zijn, is de op de verbeelding aangegeven voorgevelrooilijn bepalend;
     

  5. Wonen: het gehuisvest zijn van personen;
     

  6. Woning: een gebouw dat dient voor de huisvesting van personen.
     
     

Artikel 2 Wijze van meten

 

 

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

 

1. Afstanden:

Afstanden van bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot de perceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn;
 
2. Bebouwde oppervlak:

Het bebouwd oppervlak van een bouwperceel, of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen bij elkaar op te tellen, tenzij in de regels anders is bepaald;
 

3. Bebouwingspercentage:

Het bebouwingspercentage wordt per bouwperceel berekend van het totale bouwperceel waar het percentage is ingeschreven;
 

4. Bouwhoogte van een bouwwerk:

De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde met uitzondering van ongeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 

5. Breedte en diepte van een gebouw of ander bouwwerk:

De breedte en diepte van een gebouw wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat;
 

6. Dakhelling:

De dakhelling van een bouwwerk wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 

7. Goothoogte van een bouwwerk:

De goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
 

9. Hoogte van een bouwwerk:

De hoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 

10. Inhoud van een bouwwerk:

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

 

11. Oppervlakte van een bouwwerk:

De oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 

12. Vloeroppervlak (netto):

Het (netto) vloeroppervlak van een bouwwerk wordt gemeten binnenwerks, op de vloer van de ruimten, die ingevolge het plan worden of kunnen worden gebruikt overeenkomstig de aan de gronden toegekende bestemming, zonder aftrek van niet dragende scheidingsmuren.

HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels

 

Artikel 3 Groen

 

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Groen (G) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. plantsoenen en/of groenvoorzieningen en/of speelvoorzieningen en/of beplanting en/of parken, bermstroken, bermsloten;

b. waterpartijen, watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;

(voet- en fiets)paden, bruggen, straatmeubilair, voorzieningen ten behoeve van openbaar nut, geluidwerende voorzieningen;

c. ter plaatse van de functieaanduiding “ontsluiting" (os): tevens voor een auto-ontsluiting ten behoeve van direct aanliggende bouwpercelen, met dien verstande dat per bouwperceel ten hoogste één auto-ontsluiting is toegestaan;

d. ter plaatse van op voor Waarde- Natuur en Landschap aangewezen gronden de dubbelbestemming Waarde- Natuur en Landschap geldt;

e. ter plaatse van de voor Waterstaat- Waterstaatkundige functie aangewezen gronden de dubbelbestemming Waterstaat- Waterstaatkundige functie geldt.

 

3.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

a. niet voor bewoning bestemde gebouwen;

b. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

3.2.1 Maatvoering

 

 

Bouwwerk

Maximale bouwhoogte

Maximale oppervlakte per gebouw

a.

Niet voor bewoning bestemde gebouwen

3.50 meter

15 m².

b.

Antennes

5.00 meter

 

-

c.

Speeltoestellen

3.50 meter

 

-

d.

Openbare nutsvoorzieningen

3.50 meter

-

e.

Lichtmasten en overige masten

8.00 meter

-

f.

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

2.00 meter

15 m².

 

3.3 Nadere eisen

 

3.3.1 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een omgevingsvergunnning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van:

a. De plaatsing van gebouwen en bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar.

b. De plaatsing van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar.

c. De dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen.

d. De plaatsing en vormgeving van bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

3.3.2 Voorwaarden

a. De in lid 3.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten.

 
 

Artikel 4 Recreatie

 

 

4.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Recreatie (R) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het uitoefenen van recreatieve activiteiten met de golfsport als hoofdfunctie, alsmede voor:

b. speelplaatsen;

c. parkeervoorzieningen, tuinen, terreinen, paden en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming.

d. ter plaatse van de functieaanduiding “golfbaan” (go) een golfbaan;

e. ter plaatse van de functieaanduiding “specifieke vorm van gemengd- sociëteits- daghoreca- detailhandel- hotel- en parkeervoorziening(en)” (sgd-sdh) faciliteiten en accommodaties ten behoeve van de golfsport zijn toegestaan;

f. ter plaatse van de functieaanduiding “opslag” (op) een gebouw voor opslag;

g. ter plaatse van op voor Waarde- Natuur en landschap aangewezen gronden de dubbelbestemming Waarde- Natuur en landschap geldt;

h. ter plaatse van de voor Waterstaat- Waterstaatkundige functie aangewezen gronden de dubbelbestemming Waterstaat- Waterstaatkundige functie geldt.

 

4.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de

volgende bouwwerken worden gebouwd:

 

- Gebouwen;
- Dienstwoningen;
- Bijbehorende bouwwerken;
- Bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

4.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen alsmede de parkeervoorzieningen dienen binnen de op de verbeelding aangegeven functieaanduiding “specifieke vorm van gemengd- sociëteits- daghoreca- detailhandel- hotel- en parkeervoorziening(en)” (sgd-sdh) worden gebouwd;

b. de hoogte van gebouwen binnen de functieaanduiding “specifieke vorm van gemengd- sociëteits- daghoreca- detailhandel- hotel- en parkeervoorziening(en)” (sgd-sdh) mogen maximaal 10.00 meter hoog bedragen en een maximaal oppervlak van 1000m² omvatten. Voor de hotelvoorziening geldt dat deze een maximale bouwhoogte van 25 meter mag bedragen;

c. de gebouwen dienen op afstand van ten minste 5.00 meter uit de perceelgrens worden gebouwd.

 

4.2.2 Dienstwoning en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van twee dienstwoningen en bijbehorend bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding “specifieke vorm van gemengd- sociëteits- daghoreca- detailhandel- hotel- en parkeervoorziening(en)” (sgd-sdh) mogen ten behoeve van de golfverenging twee dienstwoningen worden opgericht;

b. de dienstwoningen mogen afzonderlijk ten hoogste 9.00 meter hoog bedragen met een gezamenlijke oppervlakte van 600m².

c. de afstand van een dienstwoning tot de perceelsgrens dient tenminste 5.00 meter te

bedragen;

d. bij de dienstwoningen mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 400 m² voor opslag, stalling en onderhoud van machines, gereedschappen ten behoeve van de golfbaan;

e. ter plaatse van de functieaanduiding “opslag“ (op) op de golfbaan mag een gebouw worden gebouwd voor opslag, stalling en onderhoud van machines en gereedschappen ten behoeve van de golfbaan met een maximale oppervlakte van 200 m²;

f. de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de perceelsgrens dient tenminste 5.00 meter te bedragen.

 

4.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3.00 meter hoog met uitzondering van (antenne)masten en verlichtingsarmaturen, die maximaal 8.00 meter mogen bedragen.

 

4.3 Nadere eisen

 

4.3.1 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van:

a. De plaatsing van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar.

b. De dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen.

c. De plaatsing en vormgeving van bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

4.3.2 Voorwaarden

a. De in lid 4.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten.

 

 
 

Artikel 5 Tuin

 

 

5.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. voortuinen en zijtuinen, geen erven zijnde, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;

 

5.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

 

a. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

5.2.1 Bouwwerken geen gebouwen zijnde, geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

a. de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag per perceel ten hoogste 4.00m² bedragen;

b. de hoogte van palen en masten mag ten hoogste 8.00 meter bedragen;

c. de hoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3.00 meter bedragen. Dit geldt niet voor erfafscheidingen, die mogen maximaal 2.00 meter bedragen.

 

5.3 Specifieke gebruiksregels

 

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

a. het gebruik van gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen en kampeermiddelen;

b. het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen;

c. het gebruik van gronden voor reclamedoeleinden.

 
 

Artikel 6 Verkeer

 

 

6.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Verkeer (V) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie;

alsmede voor:

b. verkeersvoorzieningen, groen, waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, sport-, en speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen en straatmeubilair;

c. ter plaatse van op voor Waarde- Natuur en Landschap aangewezen gronden de dubbelbestemming Waarde- Natuur en Landschap geldt;

d. ter plaatse van de voor Waterstaat- Waterstaatkundige functie aangewezen gronden de dubbelbestemming Waterstaat- Waterstaatkundige functie geldt.

 

6.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

 

a. niet voor bewoning bestemde gebouwen;

b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

6.2.1 Maatvoering niet voor bewoning bestemde gebouwen

 

 

Bouwwerk

Maximale goothoogte

Maximale bouwhoogte

Maximale oppervlakte per gebouw

a.

Niet voor bewoning bestemde gebouwen

2.00 meter

2.00 meter

Nutsgebouwen:15 m²

 

 

6.2.2 Maatvoering bouwwerken geen gebouwen zijnde

 

 

Bouwwerk

Maximale bouwhoogte

a.

Lichtmasten en overige masten

8.00 meter

b.

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

2.00 meter

 

 

6.3 Nadere eisen

 

6.3.1 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten behoeve van:

a. de verkeersveiligheid;

b. plaats en afmeting van bebouwing.

 

6.3.2 Voorwaarden

a. De in lid 6.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten.


 

Artikel 7 Water

 

 

7.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Water (WA) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de wateraanvoer en –afvoer, waterberging, waterhuishouding, paden, waterpartijen, vijvers, en (primaire) waterlopen, zoals sloten, watergangen, singels, vaarwegen, bruggen, dammen, groenvoorzieningen en andere tot de bestemming behorende watervoorzieningen ten dienste van de waterkering zoals waterinfiltratie en -transportvoorzieningen, nutsvoorzieningen en onderhoud;

b. bij deze doeleinden behorende voorzieningen, zoals bermen, bermsloten en beplantingen;

c. ter plaatse van de functieaanduiding “aanlegsteigers” (as) zijn de gronden mede bestemd voor voorzieningen ten dienste van deze medebestemming.

 

7.2 Bouwregels

 

Bij de algemene aanduiding “steigers” is de beleidsregel “aanlegsteigers Het Goese Meer 2007” van toepassing. Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

 

a. niet voor bewoning bestemde gebouwen;

b. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

7.2.1 Algemeen

Voor het aanleggen van steigers de volgende bepalingen:

a. steigers dienen te worden gebouwd binnen het in eigendom zijnde waterperceel en wel zodanig dat af te meren schepen geheel binnen het perceel ligplaats kunnen nemen;

b. ongeacht de eigendomssituatie is de Havenverordening van kracht op het gehele waterperceel tot aan de betuining;

c. steigers haaks op de oeverlijn (bijvoorbeeld zwemsteigers) zijn toegestaan tot maximaal 5.00 meter en 7.00 meter uit de betuining, afhankelijk van de eigendomsgrens;

d. steigers evenwijdig aan de oeverlijn zijn toegestaan tot een maximum lengte van 10.00 meter;

e. met uitzondering van een vaste steiger is het niet toegestaan andere constructies, obstakels of drijvende objecten in het water te plaatsen;

f. drijvende steigers zijn niet toegestaan;

g. ter plaatse van de uitstroomconstructies zijn over een breedte van 4.00 meter (aan beide zijden 2.00 meter uit het hart van de opening) geen steigers toegestaan.

 

7.2.2 Afmetingen

Voor de aan te leggen steigers gelden de volgende afmetingen en bepalingen:

a. de steigerdekhoogte dient 1,90 + NAP te bedragen;

b. de paalhoogte van de voorzijde van de steiger dient 2,70 + NAP te bedragen of gelijk te zijn aan het steigerdek;

c. steigerdekbreedte dient minimaal 0,5 meter en maximaal 1,5 meter te bedragen;

d. de voorzijde van de steiger dient te worden voorzien van een doorlopende wrijfgording;

e. voor het afmeren en vastleggen mogen maximaal twee palen worden geplaatst in relatie met de steiger, in gelijke maat, afwerking en houtsoort als de palen van de steiger.

 
 

7.2.3 Maatvoering niet voor bewoning bestemde gebouwen

 

 

Bouwwerk

Maximale goothoogte

Maximale bouwhoogte

Maximale Oppervlakte per gebouw

a.

Nutsvoorzieningen

 

3.50 meter

15 m2

 

 

7.2.4 Maatvoering bouwwerken geen gebouwen zijnde

 

a.

Bouwwerk geen gebouwen zijnde

Maximale bouwhoogte

b.

speelvoorzieningen

3.50 meter

c.

lichtmasten en overige masten

8.00 meter boven NAP

d.

bewegwijzering

4.50 meter boven NAP

e.

overige bouwwerken

2.00 meter boven NAP

 

7.3 Afwijking van de bouwregels

 

7.3.1 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in 7.2.4 sub b en toestaan dat een grotere hoogte wordt toegestaan, mits de hoogte ten hoogste 10.00 meter boven NAP bedraagt.

 

7.4 Specifieke gebruiksregels

 

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.1 wordt in ieder geval gerekend:

a. het water te gebruiken als ligplaats voor woonboten;
 

Artikel 8 Wonen

 

 

8.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Wonen (W) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen;

b. parkeervoorzieningen, tuinen, erven, paden, nutsvoorzieningen en andere voorzieningen ten behoeve van het wonen;

c. aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven alsmede logies en ontbijt.

 

8.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

a. hoofdgebouwen;

b. bijbehorende bouwwerken;

c. een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

d. ondergrondse parkeervoorzieningen.

 

8.2.1 Algemeen

De hoofdgebouwen mogen uitsluitend op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

a. ter plaatse van de functieaanduiding "vrijstaand" (vrij): vrijstaande woningen zijn toegestaan;

b. ter plaatse van de functieaanduiding “aaneengebouwd” (aeg) aaneen gebouwde woningen zijn toegestaan;

c. ter plaatse van de gronden buiten het bouwvlak zonder aanduiding mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde worden gebouwd;.

 

8.2.2 Hoofdgebouwen

Met betrekking tot de breedte van een hoofdgebouw - bijbehorende bouwwerken als genoemd in lid 8.2.3 niet meegerekend - gelden de in het navolgende schema opgenomen bepalingen:

 

nadere aanduiding

minimale breedte woning

vrij

8.00 meter

aeg

5.00 meter

 

Met betrekking tot de afstand tussen een hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens gelden de in het navolgende schema opgenomen bepalingen:

 

nadere aanduiding

minimale afstand tot zijdelingse perceelsgrens

vrij

5.00 meter

aeg

2.00 meter (voor de hoekwoning)

 

8.2.3 Bijbehorende bouwwerken

a. ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand" (vrij) geldt dat indien de oppervlakte van het bouwperceel kleiner is dan 600 m², bedraagt de bebouwde oppervlakte ten hoogste 200 m²;

b. ter plaatse van de aanduiding “aaneengebouwd” (aeg) geldt dat 50% van het bouwperceel mag worden bebouwd;

c. indien de oppervlakte van het bouwperceel groter is dan 600 m², bedraagt de bebouwde oppervlakte ten hoogste 33% van het bouwperceel;

d. de afstand tussen bijbehorende bouwwerken en de zijdelingse perceelsgrens zal ten minste bedragen:

 

 

 

nadere aanduiding

minimale afstand tot zijdelingse perceelsgrens

vrij

2.00 meter

aeg

niet van toepassing

 

8.2.4 Maatvoering

De goothoogte en bouwhoogte van een gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten:

 

nadere aanduiding

Maximale goothoogte

Maximale bouwhoogte

vrij

9.00 meter

9.00 meter

aeg

4.00 meter

8.00 meter

 

 

 

bouwwerk

maximale goothoogte

maximale bouwhoogte

a.

bijbehorende bouwwerken

3.20 meter

5.00 meter

b.

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

-

- 2.00 meter
- vóór de voorgevelrooilijn: 1.00 meter

 

8.2.5 Ondergrondse parkeervoorzieningen

De verticale bouwdiepte voor een ondergrondse parkeervoorziening, bedraagt ten hoogste de volgende aangegeven maat:

 

nadere aanduiding

Maximale verticale bouwdiepte

vrij

8.00 meter onder NAP

 

 

8.3 Nadere eisen

 

 

8.3.1 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van:

a. De plaatsing van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar.

b. De dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen.

c. De plaatsing en vormgeving van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

 

8.3.2 Voorwaarden

a. De in lid 8.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten;

 

 
 

8.4 Specifieke gebruiksregels

 

Het is toegestaan beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen in een woning en/of bij de woning bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat bedoeld gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt.

 

Bovenstaand gebruik moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. de woning moet blijven voldoen aan het Bouwbesluit;

b. het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden en naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn. Dat wil zeggen dat van de vloeroppervlakte (netto) van de woning en bijbehorende bouwwerken gezamenlijk ten hoogste 40 m2 ten behoeve van beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn;

c. er mag niet worden afgeweken ten behoeve van het uitoefenen van bedrijvigheid waarbij men onder de reikwijdte van het begrip “inrichting” valt zoals gedefinieerd in de wet milieubeheer, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;

d. het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning of bijbehorende bouwwerken uitvoert tevens gebruiker van de woning is;

e. het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;

f. de uitoefening van detailhandel is niet toegestaan, uitgezonderd als ondergeschikte nevenactiviteit in verband met het desbetreffende beroep of bedrijf.

 

8.5 Wijzigingsbevoegdheid

 

 

8.5.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 Wro, de op de verbeelding aangegeven nadere aanduidingen binnen de bestemming "Wonen (W)" te wijzigen, met dien verstande dat:

a. dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld;

b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig wordt aangetast;

c. de samenstelling van de woningvoorraad in de kern niet onevenredig wordt verstoord;

de te realiseren woning(en) past/passen binnen geldende gemeentelijke woningbouwplanning;

d. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de op de locatie en in de omgeving én ter plekke aanwezige architectonische, cultuurhistorische en/of archeologische waarden;

e. voldaan dient te worden aan de bepalingen ingevolge de Wet geluidhinder;

f. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor woondoeleinden;

g. uit een uit te voeren watertoets blijkt dat er geen onevenredige nadelige effecten voortvloeien voor de waterhuishouding.

 
 

Artikel 9 Waarde - Natuur en landschap

 

 

9.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor waarde- Natuur en landschap aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. behoud en de versterking van de cultuurhistorische, landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden;

b. verkeersdoeleinden.

 

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen

die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing

zijn. Voor zover op de kaart dubbelbestemmingen samenvallen, geldt de volgende volgorde:

- primair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming Waterstaat- Waterstaatkundige functie;

- secundair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming Waarde- Natuur en landschap.

 
 

9.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

 

- uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

9.2.1 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

a. de hoogte van andere bouwwerken bedraagt ten hoogste 2.00 meter;

b. bouwwerken ten behoeve van de andere voor de gronden geldende bestemmingen zijn op deze gronden slechts toelaatbaar, indien burgemeester en wethouders zijn afgeweken. Er wordt slechts afgeweken, indien de Waarde- Natuur en landschap door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

 

9.3 Afwijking van de bouwregels

 

 

9.3.1 Afwijking

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 9.2.1 indien en voor zover:

a. op de betrokken bouwlocatie de Waarde- Natuur en landschap blijkens rapportage

van een deskundige in voldoende mate verzekerd blijft;

b. voor vervanging van reeds aanwezige bouwwerken, indien de oppervlakte van het

bouwwerk niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering in omvang en diepte niet

wordt aangepast;

c. voor nieuwe bouwwerken die niet dieper zijn gefundeerd dan 30 cm beneden het

maaiveld en waarbij geen paalfunderingen worden aangebracht.

 

9.4 Specifieke gebruiksregels

 

Het is verboden de gronden te gebruiken in strijd met de bestemming, waartoe in ieder

geval wordt gerekend:

a. het omzetten van grasland in bouwland.

 

 
 

9.5 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

 

 

9.5.1 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming Waarde- Natuur en landschap als

bedoeld in lid 9.1 zonder of anders dan in een schriftelijke vergunning van burgemeester

en wethouders is opgenomen ( omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginningen, en aanleggen, vergraven of verruimen van sloten, vijvers en andere wateren;

b. het planten van bomen;

c. het rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;

d. het verlagen van het waterpeil;

e. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

f. het uitvoeren van alle overige werkzaamheden die de waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet kunnen worden gerekend tot het normale gebruik of onderhoud van het terrein.

 

9.5.2 Uitzonderingsbepaling

Het verbod zoals in lid 9.5.1 bedoeld is niet van toepassing op:
 

a. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

b. werken of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden;

c. het verrichten van onderzoek door de een deskundige;

d. indien op de betrokken locatie de aanwezige waarde van het terrein in voldoende mate

verzekerd blijft.

 

9.5.3 Voorwaarden

a. De werken of werkzaamheden, zoals in lid 9.5.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar indien daardoor de waarden van de beschermde dijk niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;

 

 
 

Artikel 10 Waterstaat - Waterstaatkundige functie

 

 

10.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor Waterstaat- Waterstaatkundige functie aangewezen gronden zijn, naast de daarvoor

aangewezen andere bestemming(en), primair bestemd voor:

a. waterkering, waterbeheersing, kaden, dijksloten, sloten, watergangen en singels;

b. opslag en onderhoud ten behoeve van vaar- en waterwegen, wegen, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen;

alsmede voor:

c. havens en sluizen ten dienste van de scheepvaart, de waterstaat en de landbouw.

 

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen

die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. Voor zover op de kaart dubbelbestemmingen samenvallen, geldt de volgende volgorde:

- primair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming Waterstaat- waterstaatkundige functie;

- secundair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming Waarde- Natuur en landschap.

 

10.2 Bouwregels

 

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

 

a. gebouwen;

b. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

10.2.1 Gebouwen in de kernzone

Voor het bouwen van gebouwen in de kernzone gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen op deze gronden, met inachtneming van de op de kaart aangegeven

nadere aanwijzingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 10.1 genoemde doeleinden

worden gebouwd;

b. de hoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 6.00 m.

 

10.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde in de kernzone

Voor het bouwen van andere bouwwerken in de kernzone gelden de volgende bepalingen:

a. bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen op deze gronden uitsluitend ten dienste van de in lid 10.1 genoemde doeleinden worden gebouwd;

b. de hoogte van andere bouwwerken bedraagt ten hoogste 2.00 m.

 

10.2.3 Gebouwen in de beschermingszone

Voor het bouwen van gebouwen in de beschermingszone gelden de volgende bepalingen:

a. de hoogte van gebouwen, die ten dienste van de in lid 10.1 genoemde doeleinden worden gebouwd, bedraagt ten hoogste 6.00 m;

b. de afstand van gebouwen, die ten dienste van de in lid 10.1 genoemde doeleinden worden gebouwd, tot de bestemmingsgrens dient ten minste 5.00 m te bedragen;

c. er mogen gebouwen ten behoeve van de andere voor de gronden geldende bestemmingen worden gebouwd.

 

10.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde in de beschermingszone

Voor het bouwen van andere bouwwerken in de beschermingszone gelden de volgende

bepalingen:

a. de hoogte van andere bouwwerken, die ten dienste van de in lid 10.1 genoemde doeleinden worden gebouwd, bedraagt ten hoogste 2.00 m;

b. er mogen andere bouwwerken ten behoeve van de andere voor de gronden geldende bestemmingen worden gebouwd.

 

10.3 Afwijking van de bouwregels

 

10.3.1 Afwijking van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in:

a. lid 10.2.1 sub a en lid 10.2.2 sub a voor het bouwen van gebouwen en andere

bouwwerken ten behoeve van de voor deze gronden geldende andere bestemming(en), mits de waterstaatkundige belangen van de gronden hierdoor niet onevenredig worden geschaad;

b. lid 10.2.2 sub b en lid 10.2.4 sub a tot een hoogte van maximaal 10.00 meter.

 

 

10.4 Wijzigingsbevoegdheid

 

10.4.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 Wro het plan wijzigen in die zin dat: de dubbelbestemming Waterstaat- Waterstaatskundige functie komt te vervallen, mits de waterstaatskundige belangen niet onevenredig worden geschaad.

 

10.4.2 Voorwaarden

Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in lid 10.4.1 zijn de algemene procedure regels van artikel 15 van toepassing.

 

 
 

HOOFDSTUK 3 Algemene regels

 

Artikel 11 Anti-dubbeltelbepaling

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 
 

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

 

 

12.1 Gebruiksverbod

 

Het is verboden de in de dit plan begrepen gronden, gebouwen en bouwwerken te gebruiken, te doen of laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming. Tot het verboden gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden ten behoeve straatprostitutie.

 

Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de bestemmingsomschrijving en de overige regels.

 

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

a. onbebouwde gronden te gebruiken of te laten gebruiken:

- als opslagplaats voor bagger en grondinspectie

- als opslagplaats voor vaten, kisten, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe (bouw)materialen, afval. Puin, grind of brandstoffen;

b. het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden ten behoeve van straatprostitutie.

 

Het college van burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het in sub a bepaalde,

indien strikte toepassing van het verbod leidt tot beperkingen in het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen worden gerechtvaardigd.
 

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels

 

 

13.1 Afwijkingsbevoegdheid

 

 

13.1.1 Afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van de regels in dit plan voor:

a. het oprichten van antennes en masten tot een hoogte van 12.00 meter;

b. geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein;

c. het divergeren van hoogte- en oppervlaktematen voor bebouwing tot maximaal 10% van de voorgeschreven maten.

 

13.1.2 Procedureregels

De in lid 13.1.1 genoemde afwijkingen kunnen slechts worden voltrokken, mits:

a. Dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld;

b. Geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

 
 

Artikel 14 Algemene wijzigingsregels

 

 

14.1 Geringe afwijkingen

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van geringe afwijkingen , die in het belang van een ruimtelijke of technisch beter verantwoorde plaatsing van gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal 5.00 meter toelaatbaar.

 
 

Artikel 15 Algemene procedureregels

 

 

15.1 Procedure bij toepassing wijzigingsbevoegdheid

 

Indien in de voorschriften naar deze bepaling is verwezen, is op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van een bestemmingsplan de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

 

 
 

 

HOOFDSTUK 4 Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 16 Overgangsrecht

 

 

16.1 Overgangsrecht gebruik

 

a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

c. indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

d. het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

 

16.2 Overgangsrecht bouwwerken

 

a. een bouwwerk dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen , en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gedaan;

c. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijking toepassen van het eerste lid voor het vergoten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;

d. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

16.3 Afwijking overgangsrecht

 

Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik of bouwwerken (lid 16.1 en lid 16.2) leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijk personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht afwijking toe te passen.

 

16.4 Bestaande afstanden en andere maten

 

 

16.4.1 Afstanden

Indien afstanden ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

 

16.4.2 Maten

Indien gevallen dat hoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde op de dag van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan meer of minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 Bestemmingsregels is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal worden aangehouden.

 

 

Artikel 17 Slotregel

 

Deze regels worden aangehaald als: regels van het bestemmingsplan “Goese Meer”